ECLI:NL:HR:2012:BR6345
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Aanvang terbeschikkingstelling bij borgstelling en verlies op regresvordering in inkomstenbelasting
Belanghebbende, voor 50% aandeelhouder van een vennootschap, stelde zich borg voor een lening van de vennootschap bij een bank. Nadat de vennootschap haar activiteiten staakte, werd belanghebbende aangesproken en betaalde een deel van de borgtocht. Hij gaf een negatief resultaat uit overige werkzaamheden aan in verband met de borgstelling.
De rechtbank en het hof verklaarden zijn beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting ongegrond, waarbij het hof oordeelde dat de terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen pas aanvangt bij daadwerkelijke aanwending ter delging van de schuld, en dat de regresvordering op dat moment moet worden gewaardeerd.
De Hoge Raad oordeelt dat de borgstellingsovereenkomst vanaf het moment van aangaan tot het werkzaamheidsvermogen behoort en dat de regresvordering reeds vanaf dat moment ontstaat. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het hof voor verdere behandeling, met inachtneming van deze overwegingen.
De Hoge Raad bepaalt tevens dat de Staat de proceskosten in cassatie moet vergoeden en dat het hof zal beoordelen of belanghebbende ook vergoeding van eerdere proceskosten toekomt.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor nadere behandeling.