Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
4. Beoordeling van het geschil
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, directeur-grootaandeelhouder van twee BV's, kreeg navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vergrijpboetes opgelegd over de jaren 2008 tot en met 2010. Hij had aangiften ingediend met aanzienlijke correcties en stelde dat ontvangen bedragen leningen waren en een storting van €20.000 de verkoopopbrengst van zijn auto betrof.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan, waardoor de bewijslast werd omgekeerd. De inspecteur mocht de gecorrigeerde bedragen als belastbare inkomsten aanmerken. De rechtbank matigde de boetes tot €500 per aanslag vanwege financiële omstandigheden.
In hoger beroep bevestigde het hof dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd dat de bedragen leningen waren en dat de verkoopopbrengst van de auto niet overtuigend was aangetoond. Het hof sloot zich aan bij de redelijke schatting van de inspecteur en bevestigde de navorderingsaanslagen en boetes. De hogere beroepen werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hof bevestigt de navorderingsaanslagen en boetes over 2008-2010 en verklaart het hoger beroep ongegrond.