Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende heeft in haar aangifte over 2012 een bedrag van €276 aan ouderschapsverlofkorting geclaimd. De Inspecteur weigerde deze korting omdat er volgens hem geen sprake was van een inkomensachteruitgang, waarbij het loon van 2012 werd vergeleken met dat van 2011. Omdat belanghebbende ook in 2011 ouderschapsverlof had opgenomen, mocht volgens de Inspecteur als referentiejaar het laatste jaar zonder ouderschapsverlof worden genomen, te weten 2007.
Belanghebbende stelde dat het referentiejaar 2009 moest zijn, omdat zij in dat jaar slechts tot maart ouderschapsverlof had opgenomen en pas eind december opnieuw. Het Hof oordeelde dat de wettelijke regeling en de ratio van de terugvaleis niet toelaten dat een willekeurig jaar zonder ouderschapsverlof als referentie wordt gekozen. Dit zou leiden tot willekeur en strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Het Hof bevestigde dat het eerste jaar zonder ouderschapsverlof, hier 2007, als referentiejaar geldt. Omdat belanghebbende geen recht had op de korting bij vergelijking met 2007, werd het beroep ongegrond verklaard. Tevens werd het beroep op schending van het motiveringsbeginsel verworpen, omdat de Inspecteur voldoende had gemotiveerd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de ouderschapsverlofkorting bevestigd.