ECLI:NL:GHSHE:2016:5461
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw bij ontstaan schulden
Appellanten [appellant 1] en [appellante 2] hebben bij het hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg dat hun verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft afgewezen. De schulden zijn ontstaan na ontdekking van een drugslaboratorium in een door hen verhuurde bedrijfsloods, wat leidde tot bestuursdwangkosten en een restschuld aan de Rabobank.
De rechtbank oordeelde dat appellanten niet te goeder trouw waren omdat zij onvoldoende aannemelijk maakten dat zij niet wisten of konden weten van het onrechtmatig gebruik van hun pand. Het hof bevestigt dit oordeel en wijst erop dat appellanten geen verificerende bewijsstukken hebben overgelegd ter onderbouwing van hun stellingen. Ook het feit dat zij strafrechtelijk niet vervolgd zijn, is niet doorslaggevend.
Het hof benadrukt dat voor toelating tot de schuldsaneringsregeling vereist is dat de schuldenaar goede trouw omtrent het ontstaan van de schulden aannemelijk maakt. Appellanten hebben dit niet voldoende gedaan, mede doordat zij essentiële stukken zoals het strafdossier en de huurovereenkomst niet in het geding hebben gebracht.
Daarnaast is onvoldoende aannemelijk dat appellanten de omstandigheden die tot de schulden hebben geleid onder controle hebben gekregen. Het beroep op professionele hulp wordt onvoldoende geacht om dit te weerleggen. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw bij het ontstaan van de schulden.