Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/268015/HA ZA 13-605)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met producties en eiswijziging;
- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
3.De beoordeling
deelsmogelijk is, maar het hof volgt [appellant] hierin niet. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar pagina 8 (bedoeld zal zijn pagina 7, hof) van de als productie 15 in principaal hoger beroep overgelegde brief van de partij-deskundige d.d. 8 mei 2015 waarin deze een nadere toelichting geeft op zijn taxatierapport (zie hiervoor in r.o. 3.1. onder g). Op pagina 7 schrijft de partij-deskundige inderdaad:
“Volledige overgroeiing en/of herstel van de takstompen en de kroon is in verband met de goede conditie en vitaliteit van de boom deels mogelijk, en zal gezien het aantal en de dikte van de afgezaagde takken naar verwachting 15 jaar in beslag nemen.”. In het rapport valt vervolgens echter te lezen: “
De lindeboom heeft een tijdelijke schade. Eenmaal hersteld voldoet de lindeboom weer aan zijn functie.”.
als hoofdregeldat de eigenaar van de beschadigde zaak een nadeel in zijn vermogen lijdt gelijk aan de waardevermindering welke het betreffende vermogensbestanddeel heeft ondergaan en dat, indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zal zijn aan de - naar objectieve maatstaven berekende - kosten welke met het herstel zullen zijn gemoeid. Wanneer herstel niet mogelijk of verantwoord is – bijvoorbeeld omdat de daarmee gemoeide kosten het bedrag van de als gevolg van de beschadiging opgetreden waardevermindering te zeer overtreffen – heeft de eigenaar in elk geval aanspraak op compensatie van de waardevermindering van het vermogensbestanddeel (zie de conclusie bij HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY6996).