Appellant was sinds 2009 in dienst bij Delta als Head of Trade & Supply. Door een reorganisatie bij Delta, veroorzaakt door tegenvallende energiemarktprijzen en een afsplitsing van het netwerkbedrijf, vervielen 188 arbeidsplaatsen. Appellant kreeg per 1 juli 2016 de status van mobiliteitskandidaat en werd vrijgesteld van werkzaamheden nadat Delta het vertrouwen in hem had opgezegd.
In eerste aanleg vorderde appellant wedertewerkstelling in zijn functie en werkzaamheden, toegang tot systemen en het hergeven van volmachten. De voorzieningenrechter wees deze vorderingen af, omdat Delta een zwaarwegend belang had om appellant niet toe te laten tot de arbeid, gelet op het beleid om traders bij beëindiging van het dienstverband direct vrij te stellen.
In hoger beroep handhaafde appellant alleen de vordering tot tewerkstelling in zijn functie. Het hof oordeelde dat appellant geen spoedeisend belang meer had omdat zijn functie per 1 oktober 2016 was komen te vervallen. Daarnaast was het beleid van Delta om bij beëindiging van dienstverbanden in trading direct vrij te stellen ook op appellant van toepassing, omdat hij leiding gaf aan traders en invloed had op handelsresultaten.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde appellant in de proceskosten van eerste aanleg en hoger beroep.