Conclusie
2.Bespreking van het cassatieberoep
niet gegriefd door appellant [verweerder]en ook in cassatie wordt daar (uiteraard) niet tegen opgekomen. Het hof lijkt mij in rov. 3.4 (op zichzelf terecht) van toepasselijkheid van het CMR op deze zaak uit te gaan:
jusqu’à preuve contrairein de hiervoor in voetnoot 5 weergegeven authentieke Franse tekst) inhoudt: bewijs van het tegendeel. Ook dan zou [eiseres] dus hebben te bewijzen dat het fust niet was teruggekomen [10] .
geenfust af te leveren, dus dat
niet-leverenis bestanddeel van de stelling die (of zo men wil: het feit dat) eiser aan zijn vordering ten grondslag legt. In ons geval lijkt op zich mogelijk om twee kanten op te kwalificeren: als “nee, want” volgens de lijn: de tekortkoming (het niet terugbrengen van fust) wordt betwist, want er is wel teruggebracht (bewijslast ligt volgens de hoofdregel dan bij [eiseres] ; het niet-terugbrengen is als feit aan de vordering ten grondslag gelegd), of als “ja, maar” met als redenering: ja, er is een terugbrengplicht, maar die is nagekomen, doordat wel fust is afgeleverd bij HIP (en dan zou de bewijslast volgens de hoofdregel bij [verweerder] liggen). Die laatste variant spreekt mij minder aan; het is in wezen een verkapte “nee, want”-constructie – althans is het iets wezenlijks anders dan een verweer van het type: jij, eiser hebt het teruggebrachte vervolgens kwijtgemaakt; dat zou een zuiver “ja, maar-verweer” zijn, zou ik menen. Nog weer anders benaderd: dit is geen verweer van het type: Ook al zou eisers stelling A waar zijn, dan treedt vanwege het door gedaagde gestelde feit B het met stelling A beoogde rechtsgevolg niet in.
ja, ik heb een bedrag onder mij gekregen ter doorbetaling aan de volmachtgever,
maardaarop komt in mindering een commissiebedrag c.a. Dan moet het ter bevrijding aangevoerde feit (aftrek wegen betaalde en gefiatteerde commissie c.a.) door de gevolmachtigde worden bewezen. Overigens is al in HR 26 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6993, NJ 1981/154 uitgemaakt dat als een gevolmachtigde geld ten behoeve van de volmachtgever ontvangt en laatstgenoemde ontkent dat te hebben ontvangen, de bewijslast van de afdracht op de volmachtgever ligt. Dat ligt besloten in de wettelijke regels over rekening en verantwoording voor lastgeving (art. 7:403 lid 2 BW Pro); daar wijst annotator Asser in zijn NJ-noot onder dit arrest met nadruk op, zodat rov. 3.5 uit dit arrest niet mag worden veralgemeniseerd.
non-betaling, die niet behoeft te worden veralgemeniseerd of naar onze zaak behoeft te worden doorgetrokken (al is denkbaar dat dat anders moet worden gezien, in welk geval de klacht zou slagen).
onderdelen 4.5 - 4.6. De motiveringsklachten richten zich tegen het oordeel van het hof dat er geen grond was voor het voorshands bewezen achten dat geen fust is afgeleverd door [verweerder] (rov. 3.3 en nader uitgewerkt in rov 3.4 met 4 motiveringen).
onderdeel 4.5ontoereikend gemotiveerd in het licht van een viertal feiten/omstandigheden:
onderdeel 4.6, kunnen zodoende niet tot cassatie leiden.