Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
2.Feiten
:
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
- dat de toelichting in de aangifteprogrammatuur met betrekking tot het onderhavige onderwerp summier is, maar dat belanghebbende niet bedoeld heeft een beroep te doen op opgewekt vertrouwen;
- dat belanghebbende ten tijde van het verstrekken van financiële steun aan de zoon de verwachting had dat de zoon in de loop van 2009 zou afstuderen en dat de financiële tegemoetkoming derhalve van beperkte duur zou zijn;
- dat belanghebbende niet op de hoogte was van de omvang van het banktegoed van de zoon; belanghebbende schatte het banktegoed op € 3.000 á € 4.000;
- dat belanghebbende niet op de hoogte was van de precieze studieschuld;
- dat de bijzondere omstandigheid die meebrengt dat aantasting van het banktegoed van de zoon te bezwaarlijk is waardoor belanghebbende zich gedrongen heeft kunnen voelen om financiële steun te verlenen vooral is gelegen in de financiële en economische crisis waardoor krapte op de arbeidsmarkt voor starters ontstond.
- dat de aanwezige studieschuld een zachte schuld is waar geen rekening mee gehouden moet worden;
- dat als de zoon geen baan had kunnen vinden, hij een beroep op de bijstand had kunnen doen en het dan heel goed mogelijk zou zijn geweest dat de studieschuld kwijtgescholden zou worden.
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.