Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen.
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaarthet hoger beroep ongegrond, en
- bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag van €53,05 aan leges voor de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart, omdat volgens hem niet voldaan werd aan het vereiste dat werkzaamheden rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening aan een individualiseerbaar belang. De Rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Het Hof overwoog uitgebreid de relevante wet- en regelgeving, waaronder de Paspoortwet, de Reparatiewet en de jurisprudentie van de Hoge Raad. De Hoge Raad had eerder geoordeeld dat voor de aanvraag van een ID-kaart niet voldaan wordt aan het criterium van een individualiseerbaar belang, waardoor heffing op grond van artikel 229, lid 1, onder b, van de Gemeentewet niet mogelijk is. De Reparatiewet en latere wijzigingen in de Paspoortwet voorzien echter in een zelfstandige grondslag voor heffing van rechten voor de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart.
Het Hof concludeerde dat de jurisprudentie over het vereiste van een individualiseerbaar belang niet van toepassing is op de heffing op grond van de Paspoortwet en dat de legesheffing rechtmatig is. Daarnaast wees het Hof klachten over motivering en griffierecht af en bevestigde het de uitspraak van de Rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de heffing van leges voor de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart wordt bevestigd.