Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[vennoot 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[vennoot 2] ,wonende te [woonplaats] ,
[VOF] VOF,gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/287299)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven tevens houdende akte wijziging eis, met producties 1 tot en met 4;
- de memorie van antwoord in het principaal appel tevens houdende antwoordakte wijziging van de eis en memorie van grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel, met producties 1 tot en met 9;
- de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel;
- het pleidooi gehouden op 20 april 2017, waarbij de provincie pleitnotities heeft overgelegd. Met instemming van de provincie heeft de advocaat van [appellant c.s.] zijn pleitnoties nagezonden. Ten behoeve van het pleidooi hebben partijen het hof op voorhand producties toegezonden ( [appellant c.s.] producties 5 tot en met 8 en de provincie producties 11 en 12).
3.De beoordeling
31 januari 2008heeft [vennoot 1] met de provincie een overeenkomst gesloten met betrekking tot deze varkenshouderij, onder meer inhoudend (dgv. prod. 2):
7 juli 2008, meegedeeld (cva prod. 42):
augustus 2008heeft [vennoot 1] met [verkoper] , destijds wonend te [woonplaats] aan de [locatie 1] , een overeenkomst gesloten (waarin [vennoot 1] wordt aangeduid als koper en [verkoper] als verkoper). Deze overeenkomst houdt onder meer in (cva prod. 41):
30 december 2008(cva prod. 43) heeft [verkoper] de varkenshouderij met bedrijfswoning cum annexis aan de [locatie 1] te [vestigingsplaats 1] (hierna: de locatie [locatie 2] ) aan [vennoot 1] overgedragen.
10 juli 2009is bij Provinciale Staten van Noord-Brabant (hierna: PS) het “Burgerinitiatief/Petitie inzake negatieve gevolgen schaalvergroting intensieve veehouderij” ingediend. Dit Burgerinitiatief werd ondersteund door 33.000 handtekeningen. Dit stuk (cva prod. 11) houdt onder meer in: “Ons initiatief betreft de concentratie en schaalvergroting van de bio-industrie in Brabant en de negatieve gevolgen hiervan. […] Wij vinden dat de provinciale overheid een halt toe moet roepen aan de onverantwoorde schaalvergroting van de bio-industrie […]. Wij vragen daarom aan de provinciale bestuurders: […] Een einde te maken aan de eenzijdige economische ontwikkeling van het Brabantse platteland en de milieu- en natuurdoelen van de Reconstructie te realiseren”
.Dit Burgerinitiatief is behandeld in de vergadering van 2 oktober 2009. Aan indiening en behandeling is door de pers ruim aandacht besteed.
19 maart 2010is in PS een debat gehouden rondom dit Burgerinitiatief. PS hebben besloten het beleid voor de ontwikkeling van intensieve veehouderijen bij te stellen. De door PS daartoe genomen besluiten zouden worden verwerkt in de Verordening ruimte fase 1. Om ongewenste ontwikkelingen gedurende de periode tot de inwerkingtreding van deze Verordening te voorkomen hebben PS ook besloten een voorbereidingsbesluit te nemen. Dit voorbereidingsbesluit is op
20 maart 2010in werking getreden (cva prod. 32). Het gevolg hiervan was dat alle bouwaanvragen ten behoeve van de intensieve veehouderij binnen verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden die op of na 20 maart 2010 zijn ingekomen, moesten worden aangehouden. De aanhoudingsplicht zou vervallen onder meer op het moment dat de Verordening in werking zou treden.
1 juni 2010is de door PS vastgestelde Verordening ruimte fase 1 in werking getreden (cva prod. 35). Deze hield onder meer in dat:
23 september 2010gemeld (dgv. prod. 5):
14 december 2010(cva prod. 56) heeft [vennoot 1] de provincie meegedeeld:
1 maart 2011in werking getreden Verordening ruimte (hierna: Vr) (cva prod. 36 en 37) houdt onder meer in dat:
verplaatsingvan een intensieve veehouderij ontheffing kunnen verlenen van het bepaalde in art. 9.3 lid 1 sub d voor een bestemmingsplan dat voorziet in uitbreiding van een bouwblok tot ten hoogste 2,5 ha in een verwevingsgebied (art. 9.5 lid 1 sub a);
uitbreidingvan een intensieve veehouderij ontheffing kunnen verlenen van het bepaalde in art. 9.3 lid 1 sub d voor een bestemmingsplan dat voorziet in uitbreiding van een bouwblok tot ten hoogste 2,5 ha in een verwevingsgebied (art. 9.6 lid 1 sub a);
4 juli 2011op het verzoek van b&w van de gemeente Hilvarenbeek om ontheffing van het bepaalde in art. 9.3 lid 1 sub d Vr betreffende de uitbreiding van een bestaand bouwblok tot 2,5 ha op de locatie [locatie 2] , gelegen in een verwevings-gebied, besloten deze ontheffing als bedoeld in art. 9.5 Vr te weigeren (dgv. prod. 9);
13 maart 2012besloten de bezwaren van [vennoot 1] tegen het besluit van GS van 4 juli 2011 ongegrond te verklaren en het besluit van 4 juli 2011, onder aanvulling van overwegingen ten aanzien van de verbindendheid van de Vr en het evenredigheidsbeginsel, onverkort te handhaven (dgv. prod. 10);
17 juli 2013het beroep van [vennoot 1] tegen voormeld besluit op bezwaar ongegrond verklaard (dgv. prod. 12). De AB RvS heeft in deze beslissing onder meer overwogen: