Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[de V.O.F.] V.O.F.,
[de Holding 1] Holding B.V.,
[de Holding 2] Holding B.V.,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellante was van 1 januari 2003 tot 1 november 2013 in dienst bij een advieskantoor voor financiële producten, dat in 2013 een vestiging sloot en haar ontsloeg wegens bedrijfseconomische redenen. Het UWV verleende de ontslagvergunning. Appellante stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was en vorderde schadevergoeding.
De kantonrechter oordeelde dat de financiële situatie van de werkgever ernstig was en het ontslag niet kennelijk onredelijk. Appellante ging in hoger beroep met het verweer dat de gevolgen voor haar te ernstig waren, gezien haar leeftijd, dienstjaren en gebrek aan ondersteuning bij het vinden van nieuw werk.
Het hof onderzocht uitgebreid de financiële positie van de werkgever, de omstandigheden rondom de sluiting van de vestiging en de persoonlijke situatie van appellante. Het hof concludeerde dat de werkgever voldoende middelen had om een vergoeding te betalen, maar dat geen bijzondere omstandigheden waren die het ontslag kennelijk onredelijk maakten.
Het hof wees de vordering af en veroordeelde appellante in de kosten van het hoger beroep. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en op 20 juni 2017 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is en wijst de schadevergoeding af.