Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[de vennootschap] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[appellant 2] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellant 3] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellante 4] ,
1.Stichting Pensioenfonds DSM Nederland,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
Stichting Pensioenfonds ABP,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
8.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 22 december 2015;
- de memorie van grieven tevens akte wijziging van eis met producties;
- de memorie van antwoord van PDN;
- de memorie van antwoord van ABP;
- het op 18 mei 2017 gehouden pleidooi waarbij door partijen pleitnotities in het geding zijn gebracht.
9. De verdere beoordeling
grief 1over de door de kantonrechter vastgestelde feiten. Het hof heeft hiervoor de feiten opnieuw vastgesteld, waarmee (deels) is tegemoet gekomen aan de door [appellanten c.s.] geuite bezwaren tegen de in 2.4 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten.
Grief 3, die betrekking heeft op de aanvaarding van de offertes van ABP door [appellant 2] , [appellant 3] en [appellante 4] , zal eveneens worden besproken na de beoordeling van de grieven 4 tot en met 7.
Grief 8is gericht tegen het dictum en mist zelfstandige betekenis. Deze grief kan dus verder onbesproken blijven.
grieven 4 tot en met 7lenen zich voor gezamenlijke bespreking. In de kern gaat het om de vraag of PDN en / of ABP fouten hebben gemaakt of onjuist hebben gehandeld bij de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van [appellant 2] , [appellant 3] en [appellante 4] (en andere werknemers van [de vennootschap] ) en zo ja, of PDN en / of ABP gehouden zijn om (kort gezegd) dat te herstellen of schade te vergoeden.
Grief 3faalt dus. Daartoe is het volgende redengevend.
grief 2op tegen dat oordeel.