Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3991263 / 15-1508)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met 1 productie;
- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel met 1 productie;
- de memorie van antwoord in het incidenteel appel.
3.De beoordeling
grief IVvan [appellante] behandelen. Met deze grief betoogt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat er in de ontslagbrief van 26 augustus 2014 vijf ontslaggronden zijn genoemd. In de toelichting op deze grief betoogt [appellante] dat [appellante] [geïntimeerde] heeft ontslagen vanwege het bedreigen van [directeur van appellante] (punt 45 memorie van grieven), en dat er slechts één ontslaggrond is: de bedreiging door [geïntimeerde] van [directeur van appellante] (punt 49 memorie van grieven). De aldus toegelichte grief faalt. De in de ontslagbrief door [appellante] aan [geïntimeerde] meegedeelde dringende reden is omschreven als een escalerende keten van gebeurtenissen, ingezet door het indienen door [geïntimeerde] van een klacht bij de arbeidsinspectie en niet meenemen van bedrijfskleding naar [plaats 3] en eindigend bij de door [appellante] gestelde bedreiging door [geïntimeerde] van [directeur van appellante] , welke gebeurtenissen (door de kantonrechter aangeduid als: de ontslaggronden) tezamen de dringende reden vormen. [appellante] heeft [geïntimeerde] in de ontslagbrief niet meegedeeld dat het bedreigen van [directeur van appellante] of enige andere tot de keten behorende gebeurtenissen ook afzonderlijk beschouwd als dringende reden moet worden aangemerkt.
grieven I , II en IIIbetoogt [appellante] dat de kantonrechter haar ten onrechte niet heeft toegelaten tot het leveren van getuigenbewijs van haar stellingen. Met
grief VIbetoogt [appellante] dat onbegrijpelijk is dat de kantonrechter, na te hebben overwogen dat de door [appellante] gestelde bedreiging van [directeur van appellante] door [geïntimeerde] betwist was en daarom eerst na getuigenbewijs zou kunnen worden vastgesteld, vervolgens overweegt dat wordt aangenomen dat [appellante] dit bewijs heeft geleverd maar tot slot heeft overwogen dat het gegeven ontslag op staande voet geen stand kan houden. Met deze grieven miskent [appellante] dat de kantonrechter, deels bij wege van veronderstelling, bij de beoordeling van de dringende reden is uitgegaan van de juistheid van alle door [appellante] in het kader van de dringende reden gestelde feiten, ook ten aanzien van de gebeurtenissen waarover de kantonrechter oordeelt dat deze geen gewicht in de schaal leggen (de “ontslaggronden” b, d en e). De kantonrechter heeft geoordeeld dat, ook indien wordt uitgegaan van die juistheid, het ontslag op staande voet geen stand houdt. Dit is geenszins onbegrijpelijk. Er was voor de kantonrechter geen reden om getuigenbewijs toe te laten, omdat bewijslevering ten aanzien van de door [appellante] gestelde feiten niet had kunnen bijdragen tot beslissing van de zaak.
grief Vvan [appellante] tegen de overweging in rov. 8.4 van het vonnis van beroep dat het begrijpelijk is dat [geïntimeerde] overvallen en geïntimideerd werd door de aanwezigheid van de advocaat van [appellante] bij het gesprek op 26 augustus 2014.
- Niet gesteld is dat [geïntimeerde] zich voor 26 augustus 2014 in de werksfeer ooit eerder heeft uitgelaten in een zin die in enig opzicht door [appellante] als agressief of dreigend is aangemerkt, dit met uitzondering van het indienen van de klacht bij de arbeidsinspectie, maar daarover heeft het hof hierboven reeds overwogen dat dit niet op goede gronden als dreigend is of mocht worden opgevat;
- Er was sprake van een escalatie naar aanleiding van de door [geïntimeerde] geuite zorgen over door hem ervaren veiligheidsrisico’s waarvoor hij geen gehoor had gevonden bij [appellante] ;
- De opmerking vond plaats na afloop van een gesprek in een setting waardoor [geïntimeerde] zich overvallen en geïntimideerd kon voelen;
- [geïntimeerde] heeft deze opmerking volgens [appellante] gemaakt nadat het gesprek was afgelopen, [directeur van appellante] [geïntimeerde] had verzocht om het pand te verlaten en [directeur van appellante] vervolgens met [geïntimeerde] was meegelopen, danwel achter hem aan was gelopen, om hem te begeleiden naar zijn auto, en wel tijdens dat lopen.
- De gemoederen waren tijdens het gesprek behoorlijk opgelopen; het achter [geïntimeerde] aanlopen moet als onnodig escalerend worden beschouwd.
- Niet gesteld is dat [directeur van appellante] [geïntimeerde] heeft verzocht om uitleg te geven over wat hij met zijn opmerking bedoelde. Evenmin is gesteld dat [directeur van appellante] de situatie als zodanig bedreigend heeft ervaren dat hij geen mogelijkheid zag om dit te doen.