Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3951039/15-1241)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met een productie;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De werknemer trad op 1 mei 2014 in dienst als kok voor bepaalde tijd tot 31 oktober 2014. Na het onverwachte overlijden van zijn vrouw op 4 juli 2014, meldde hij zich ziek en stelde loonbetaling te vorderen over augustus, september en oktober 2014. Werkgever voerde verweer dat werknemer op 30 juli 2014 zijn arbeidsovereenkomst per direct had opgezegd en zich daarnaar had gedragen.
In eerste aanleg wees de kantonrechter de loonvorderingen af, omdat uit getuigenverklaringen bleek dat werknemer duidelijk had aangegeven te willen stoppen en zijn spullen had opgehaald. In hoger beroep voerde werknemer onder meer aan dat de getuigen niet onpartijdig waren en dat hij geen ondubbelzinnige opzegging had gedaan.
Het hof oordeelde dat werkgever voldoende bewijs had geleverd dat werknemer op 30 juli 2014 ondubbelzinnig had opgezegd en zich daarnaar had gedragen, onder meer door het ophalen van persoonlijke spullen, het inleveren van sleutels en het niet meer verschijnen op het werk. De verklaringen van getuigen bevestigden dit en het hof vond dat werkgever gerechtvaardigd mocht vertrouwen op deze opzegging zonder nader onderzoek. De loonvorderingen werden daarom afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
Uitkomst: De loonvordering van de werknemer wordt afgewezen wegens rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst per 30 juli 2014.