Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
4. Optie voor belastingheffing
€ 1.962
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, een melkveehouderij, had per 1 juli 2013 gekozen voor het niet meer toepassen van de landbouwregeling voor de omzetbelasting. Zij verzocht om teruggaaf van voorbelasting op opfokkosten van jongvee en melkkoeien die tijdens het landbouwregime niet in aftrek waren gebracht. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant had de teruggaaf toegewezen, maar de Inspecteur ging in hoger beroep.
Het Hof oordeelde dat de opfokkosten betrekking hebben op leveringen en diensten die worden verbruikt tijdens het biologische proces van het opfokken van kalveren tot melkkoeien. Dieren worden niet als materialen aangemerkt en het voeren en verzorgen is geen vervaardiging van een nieuw goed. Daarom is geen sprake van een herzieningsmoment zoals bedoeld in artikel 15, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968.
Verder verwierp het Hof het beroep op het fiscale neutraliteitsbeginsel en de Europese Btw-richtlijn. Het verschil tussen ondernemers die wel of niet voor de landbouwregeling kozen, rechtvaardigt geen uitbreiding van herzieningsregels. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en bevestigde de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur, waarmee het beroep van belanghebbende ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur bevestigd.