Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellante] ,2. [appellant] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
1.[geïntimeerde 1] ,2. [geïntimeerde 2] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 4265092, rolnummer 15-5692)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord.
3.De beoordeling
- Bij huurovereenkomst van 8 september 1999 heeft [geïntimeerde 2] aan [appellante] de woonboerderij met schuur en omliggende grond aan de [adres] te [plaats] verhuurd voor een huurprijs van ƒ 3.300,-- (zijnde € 1.497,48) per maand. In artikel 3.1 van de overeenkomst staat dat de huur is aangegaan voor de tijd van 15 jaar, ingaande op 1 oktober 1999 en lopende tot 1 januari 2015.
- Bij huurovereenkomst van 1 april 2000 heeft [geïntimeerde 2] aan [appellante] voorts een aan de woonboerderij grenzende kantoorruimte verhuurd voor een huurprijs van ƒ 900,-- (zijnde € 408,40) per maand. In deze huurovereenkomst is bepaald dat deze als aanvulling geldt op de reeds bestaande huurovereenkomst. In totaal was [appellante] op grond van beide huurovereenkomsten aan [geïntimeerde 2] een huur verschuldigd van (in euro’s uitgedrukt) € 1.905,88 per maand.
- [appellante] heeft enkele verbouwingen verricht aan het gehuurde, waardoor de onroerende zaak in waarde is gestegen.
- De partijen zijn enkele keren mondeling een verlaging van de huurprijs overeengekomen. Deze verlagingen hielden mede verband met het feit dat, kort gezegd, [appellante] vanaf een bepaald moment niet langer gebruik maakte van de kantoorruimte en het feit dat er brand was geweest in een van de tot de woonboerderij behorende schuren.
- Bij ongedateerde brief, volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] verzonden op 31 juli 2014, hebben zij aan [appellante] en [appellant] meegedeeld dat per 22 juli 2014 sprake is van een huurachterstand van € 162.436,53. Zij hebben [appellante] en [appellant] in deze brief verzocht om binnen veertien dagen een betalingsvoorstel te doen.
- Bij brief van 18 augustus 2014 hebben [appellant] en [appellante] aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onder meer het volgende meegedeeld:
- Bij brief van 21 augustus 2014 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] uiteengezet hoe de door hen gestelde vordering van € 162.436,53 in de loop van de jaren tot dat bedrag is opgelopen. Zij hebben [appellante] en [appellant] in deze brief verzocht het bedrag binnen vijf dagen te voldoen althans binnen vijf dagen een regeling te treffen waarbij het stellen van zekerheid als voorwaarde geldt.
- Bij brief van 27 augustus 2014 heeft [appellante] aan [geïntimeerde 2] onder meer het volgende meegedeeld:
- [appellante] heeft het gehuurde omstreeks 15 september 2014 ontruimd en daarna geen gebruik meer gemaakt van het gehuurde.
- Bij brief van 29 september 2014 heeft de incassogemachtigde van [geïntimeerde 2] [appellante] en [appellant] gesommeerd om vóór 7 oktober 2014 een bedrag van € 206.289,34 te voldoen (een hoofdsom van € 173.656,46, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten, btw en wettelijke rente).
- Bij brief van 28 oktober 2014 aan de incassogemachtigde van [geïntimeerde 2] heeft de advocaat van [appellante] en [appellant] de vordering gemotiveerd bestreden en meegedeeld dat [appellante] en [appellant] niet aan de sommatie zullen voldoen.
- Tussen partijen staat vast dat de huur per 1 november 2014 geëindigd is.
- een hoofdsom van € 109.852,80 aan achterstallige huur, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente;
- een hoofdsom van € 5.500,-- uit hoofde van geldlening;
- [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde 2] een hoofdsom van € 36.849,92 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 september 2014;
- [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde 2] € 1.360,76 te betalen ter zake buitengerechtelijke kosten;
- [appellante] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 2] veroordeeld;
- [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de proceskosten aan de zijde van [appellant] veroordeeld;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
- grief 2: moment van ingang van de huurprijsverlagingen
- grief 3: het beroep op rechtsverwerking en redelijkheid en billijkheid
- met ingang van 1 november 2012 is verlaagd tot € 1.500,-- per maand;
- met ingang van 1 mei 2013 verder is verlaagd tot € 1.200,-- per maand;
- met ingang van 1 februari 2014 verder is verlaagd tot € 1.000,-- per maand.
- met ingang van 1 november 2012 is verlaagd tot € 1.500,-- per maand;
- met ingang van 1 mei 2013 verder is verlaagd tot € 1.200,-- per maand;
- met ingang van 1 februari 2014 verder is verlaagd tot € 1.000,-- per maand.
- al met ingang van 1 februari 2010 is verlaagd tot € 1.500,-- per maand;
- al met ingang van 1 maart 2011 verder is verlaagd tot € 1.000,-- per maand.
- met ingang van 1 februari 2010 is verlaagd tot € 1.500,-- per maand;
- met ingang van 1 maart 2011 verder is verlaagd tot € 1.000,-- per maand.
- al met ingang van 1 februari 2010 is verlaagd tot € 1.500,-- per maand;
- al met ingang van 1 maart 2011 verder is verlaagd tot € 1.000,-- per maand.
- niet al met ingang van 1 februari 2010 is verlaagd tot € 1.500,-- per maand;
- niet al met ingang van 1 maart 2011 verder is verlaagd tot € 1.000,-- per maand.
4.De uitspraak
- wijst de vorderingen van [geïntimeerde 2] jegens [appellante] af;
- veroordeelt [geïntimeerde 2] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] en begroot die kosten tot op heden op € 800,-- aan salaris gemachtigde;