Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,2. [geïntimeerde 2] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 9433993 CV EXPL 21-4331)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven, producties en incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het beroepen vonnis;
- de door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op 12 december 2021 genomen memorie van antwoord, tevens houdende antwoord op de incidentele vordering, met productie 8;
- de op 17 december 2021 gehouden mondelinge behandeling;
- de voorafgaand aan de zitting door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] toegezonden productie 9, die zij bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding hebben gebracht;
- de voorafgaand aan de zitting door [appellant] toegezonden producties 10 en 11, die [appellant] bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
- a. Bij huurovereenkomst van 22/23 maart 2018 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aan [appellant] de bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro en de bedrijfsafhankelijke woonruimte in de zin van artikel 7:290 lid 3 BW Pro aan de [adres] te [plaats] verhuurd voor een huurperiode van vijf jaar. De bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs bedraagt volgens de artikelen 4.1 en 4.8 van de overeenkomst € 1.500,-- per maand waarvan € 400,-- per maand wordt toegerekend aan de woonruimte. € 1.100,-- per maand wordt toegerekend aan de bedrijfsruimte. De huurprijs is sinds het aangaan van de huurovereenkomst niet geïndexeerd.
- b. In artikel 2.1 van de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro (ROZ-model 2012) van toepassing verklaard. Artikel 17.3 van die algemene bepalingen luidt als volgt:
- c. [appellant] is samen met zijn vrouw in het gehuurde gaan wonen en hij is daar een zogenaamde saloon, de [saloon] , gaan exploiteren. De saloon heeft een Amerikaanse stijl en bestaat, overeenkomstig conform de door [appellant] overgelegde blueprint en foto’s, voor het overgrote deel uit zalen waar evenementen worden georganiseerd. Voor de rest bestaat de saloon uit een café- en terrasgedeelte.
- d. [appellant] heeft met ingang van oktober 2018 een huurachterstand laten ontstaan.
- e. Bij brief van 18 januari 2019 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aan [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:
- f. [appellant] heeft met betrekking tot de maanden juni en augustus 2019 slechts € 1.000,-- per maand aan huur betaald in plaats van € 1.500,-- per maand, zodat over deze maanden een huurachterstand is ontstaan van (2 x € 500,00,-- =) € 1.000,--.
- g. Omstreeks begin 2020 brak de coronapandemie uit in Nederland. Om de coronapandemie in te dammen heeft de overheid in verschillende perioden maatregelen van verschillende aard getroffen. Aan paragraaf 3.7.1 van de conclusie van Procureur-Generaal M.H. Wissink van 30 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:902, ontleent het hof de volgende samenvatting van die maatregelen:
- h. Als gevolg van de sluiting van de horeca in maart 2020 kon [appellant] tijdelijk geen inkomsten meer genereren. [appellant] heeft in de maanden april, mei en juni 2020 geen huur betaald.
- i. In de periode van mei 2021 tot en met september 2021 heeft [appellant] van de gemeente een bedrag ontvangen van € 144,75 ter zake Tijdelijke ondersteuning noodzakelijke kosten (Tonk).
- j. Vanaf juli 2020 tot en met september 2021 heeft [appellant] een inkomensondersteuning ontvangen op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo). De Tozo-ondersteuning bedroeg (afgerond) € 1.500.-- per maand. De Tozo-regeling is met ingang van 1 oktober 2021 afgeschaft.
- k. Sinds 1 juli 2020 (de datum met ingang waarvan [appellant] Tozo-ondersteuning ontving) is [appellant] voor het gehuurde € 500,00 per maand aan huur gaan betalen. [appellant] heeft dit voortgezet tot en met de maand oktober 2021. Over de maanden november en december 2021 heeft [appellant] geen huur betaald.
- l. Bij brief van 14 mei 2021 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aan [appellant] onder meer meegedeeld dat zij voornemens zijn om de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] te verkopen. Onder verwijzing naar artikel 17.3 van de op de huurovereenkomst toepasselijke algemene bepalingen hebben zij aan [appellant] voorts het volgende meegedeeld:
- o. Bij e-mail van 12 juli 2021 heeft mr. [persoon A] , namens [appellant] , aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onder meer meegedeeld dat [appellant] de vordering van de hand wijst en geen betalingsvoorstel zal doen.
- p. Bij brief van 27 juli 2021 heeft de advocaat van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aan [appellant] , via diens toenmalige gemachtigde mr. [persoon A] , een laatste gelegenheid geboden om, kort gezegd, een betalingsvoorstel te doen met betrekking tot de openstaande huurachterstand en data te noemen waarop een bezichtiging mogelijk is. In de brief is, kort gezegd, een kortgedingprocedure in het vooruitzicht gesteld voor het geval een bevredigende reactie uitblijft.
- veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde aan de [adres] te [plaats] ;
- veroordeling van [appellant] tot betaling van € 18.877,50 aan achterstallige huur over de periode tot 1 oktober 2021, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;
- veroordeling van [appellant] tot betaling van de huur van € 1.500,-- per maand vanaf 1 oktober 2021 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, vermeerderd met wettelijke rente;
- veroordeling van [appellant] tot betaling van € 963,78 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente;
- [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben een spoedeisend belang bij beoordeling van hun vorderingen in kort geding (rov. 4.1 en 4.2).
- Het is voldoende aannemelijk dat [appellant] een huurachterstand heeft van de door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] gestelde omvang (rov. 4.3).
- Het verweer van [appellant] dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hun aanspraak op de achterstallige huur hebben verwerkt, moet worden verworpen (rov. 4.4).
- Het is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] betaling van de achterstallige huur vorderen. Daarbij is van belang dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bij het bepalen van het gevorderde bedrag al rekening hebben gehouden met de door de overheid opgelegde corona-maatregelen en in verband daarmee al een korting hebben toegepast voor de maanden waarin de horecagelegenheden gesloten moesten zijn (rov. 4.5).
- De gevorderde huur van € 1.500,-- per maand vanaf 1 oktober 2021 is bij gebreke van een daartegen gevoerd specifiek verweer toewijsbaar (rov. 4.6).
- Vanwege de hoogte van de huurachterstand en omdat [appellant] zonder goede reden medewerking aan bezichtigingen heeft geweigerd, is het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter de huurovereenkomst desgevraagd zal ontbinden. Daarom zal de gevorderde ontruiming worden toegewezen. Van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is niet te vergen de huurrelatie langer te laten voortduren (rov. 4.7).
- Ter zake buitengerechtelijke kosten is het gevorderde bedrag van € 963,78 toewijsbaar (rov. 4.9).
- [appellant] veroordeeld om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen;
- [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] € 18.877,50 te betalen aan achterstallige huur, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2021 (de dag van de inleidende dagvaarding);
- [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de huur van € 1.500,-- per maand te betalen vanaf 1 oktober 2021 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, een en ander voor zover met ingang van de maand oktober 2021 geen huur is betaald, vermeerderd met wettelijke rente indien [appellant] met de betaling in gebreke blijft;
- [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] € 963,78 te betalen ter zake buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2021;
- afwijzing van de incidentele vordering;
- bekrachtiging van het beroepen vonnis;
- niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in de pas in hoger beroep kennelijk ingestelde vordering in reconventie, althans afwijzing van die vordering in reconventie;
- [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben uitdrukkelijk betwist dat zij met [appellant] hebben afgesproken dat hij met ingang van de maand juli 2020 mocht volstaan met betaling van een huur van € 500,-- per maand. Volgens hen hebben zij pas bij hun brief van 16 juni 2021 aan [appellant] de beperkte huurvermindering aangeboden die in die brief is omschreven (waarbij rekening is gehouden met de zogeheten Tegemoetkoming Vaste Lasten).
- De gestelde afspraak wijkt aanzienlijk af van hetgeen partijen in de huurovereenkomst zijn overeengekomen. Aangezien van de totale huurprijs een deel van € 400,-- diende te worden toegerekend aan de woonruimte, zou de afspraak inhouden dat [appellant] voor de bedrijfsruimte nog slechts € 100,-- per maand zou betalen. Dat is minder dan 10% van de deel dat van de oorspronkelijke huurprijs aan de bedrijfsruimte werd toegerekend (€ 1.100,--). Dat [appellant] zou instemmen met kwijtschelding van het meerdere, ligt niet voor de hand.
- Indien de partijen daadwerkelijk een zo verstrekkende afspraak zouden hebben gemaakt, zou het voor de hand hebben gelegen om de afspraak schriftelijk te bevestigen.
- Dat geldt te meer omdat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de afspraak over de tijdelijke huurverlaging voor de periode van 1 december 2018 tot en met 31 maart 2019 wel bij brief van 18 januari 2019 schriftelijk aan [geïntimeerde 1] hebben bevestigd.
- [appellant] heeft niet duidelijk gemaakt uit welke exacte bewoordingen van [geïntimeerde 1] of [geïntimeerde 2] hij meende te mogen afleiden dat hij kon volstaan met betaling van slechts € 500,-- per maand. Daardoor is onvoldoende duidelijk of de gebruikte bewoordingen een kwijtschelding van het meerdere boven € 500,-- inhielden, of slechts inhielden dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] voorlopig niet op betaling van het meerdere zouden aandringen zonder hun aanspraak op uiteindelijke betaling prijs te geven.
- De stellingen van [appellant] zijn ook onduidelijk ten aanzien van de periode waarvoor de beweerdelijke huurverlaging zou gelden. In dit kader is van belang dat de coronamaatregelen vanaf 1 juni en 1 juli 2020 weer ten dele zijn versoepeld. Na de ‘gedeeltelijke lockdown’ van najaar 2020 en de ‘harde lockdown’ van de winter 2020/2021 volgden per 28 april 2021 enkele versoepelingen, en verdere versoepelingen volgden in mei en juni 2021. Een groot aantal versoepelingen volgde per 25 september 2021. Het ligt niet voor de hand dat [appellant] ook na deze versoepelingen mocht blijven volstaan met het betalen van slechts € 500,-- per maand.
- De partijen hadden meerdere keren mondelingen afspraken gemaakt over een wijziging van de omvang van het gehuurde en een daarmee samenhangende verlaging van de huurprijs, zonder die afspraken schriftelijk te bevestigen.
- De verhuurder had de huurachterstand torenhoog laten oplopen door pas na ongeveer vier jaren aan de huurder duidelijk te maken dat hij, de verhuurder, geen genoegen (meer) nam met de hoogte van de door [persoon B] gedane huurbetalingen.
- Bij het maken van de genoemde mondelinge afspraken had de verhuurder nimmer melding gemaakt of een voorbehoud gemaakt ten aanzien van de huurachterstand die – uitgaande van zijn stellingen – op het moment van het maken van die afspraken al bestond. Juist doordat de verhuurder in het verleden diverse malen met huurverlagingen en met een afname van de omvang van het gehuurde had ingestemd, had hij, door jarenlang niet te stellen dat te weinig huur werd betaald, de huurder in de waan gelaten dat hij genoegen nam met de huurbetalingen.
- Hierdoor kon bij de huurder het gerechtvaardigd vertrouwen ontstaan dat de verhuurder genoegen nam met de feitelijk door de huurder gedane huurbetalingen en geen aanspraak zou maken over de over het verleden onbetaald gelaten deel van de huur. Dat gold te meer nu de verhuurder had nagelaten om (ook de onbestreden) afspraken tot wijziging van de huurovereenkomst schriftelijk vast te leggen, hetgeen heeft bijgedragen aan de onduidelijkheid van de situatie.
- Het voorgaande had bovendien tot gevolg dat de positie van de huurder onredelijk was benadeeld. Door het uitblijven van een schriftelijke vastlegging van de meermaals mondeling gewijzigde afspraken is een bewijsprobleem ontstaan, terwijl de verhuurder ook – door met jarenlang stil te zitten de indruk te wekken dat hij genoegen nam met de feitelijk gedane betalingen – aan de huurder de mogelijkheid had ontnomen om – bijvoorbeeld door het opzeggen van de huurovereenkomst – te voorkomen dat er een torenhoge huurachterstand zou ontstaan en/of te voorkomen dat hij jarenlang bleef huren tegen een huur die hoger was dan hij aanvaardbaar vond.
- Dient de als gevolg van de coronacrisis van overheidswege opgelegde sluiting van de horeca beschouwd te worden als een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW Pro?
- 2. Zo ja, aan de hand van welke criteria moet dan de mate van huurprijsvermindering worden beoordeeld?
- 3. (Of) vormt de beperking in het gebruik van het gehuurde een onvoorziene omstandigheid die tot huurprijsvermindering kan leiden?
- 4. Zo ja, welke omstandigheden van het geval wegen mee bij het bepalen of verdelen van de schade?
- Over de maanden juni en september 2019 (vóór het uitbreken van de coronacrisis) is in totaal € 1.000,-- te weinig betaald.
- Over de maanden april tot en met juni 2020 is niets betaald terwijl € 950,-- per maand betaald had moeten worden. Over deze maanden is dus € 2.850,-- te weinig betaald.
- Over de maanden juli 2020 tot en met oktober 2020 (16 maanden) is € 500,-- per maand betaald terwijl € 950,-- per maand betaald had moeten worden. Over deze periode is dus (16 x € 450,-- =) € 7.200,-- te weinig betaald.
- Over de maanden november en december 2021 is niets betaald. Over deze maanden is dus (2 x € 950,-- =) € 1.900,-- te weinig betaald.
- [appellant] veroordelen om aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] € 12.950,-- te betalen ter zake achterstallige huur over de periode tot en met december 2021, vermeerderd met de wettelijke rente over € 10.600,-- (de huurachterstand tot en met september 2021) vanaf 13 september 2021 en vermeerderd met de wettelijke rente over de nadien vervallen bedragen van € 450,-- (oktober 2021), € 950,-- (november 2021) en € 950,-- (december 2021) vanaf de eerste van elke genoemde maand;
- [appellant] veroordelen om aan [geïntimeerde 2] € 950,-- per maand te betalen met ingang van januari 2021 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke rente over de vervaldatum van elke termijn.
4.De uitspraak
- de veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de huur van € 1.500,-- per maand te betalen vanaf 1 oktober 2021 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, vermeerderd met wettelijke rente indien [appellant] met de betaling in gebreke blijft;
- de veroordeling van [appellant] tot betaling van € 963,78 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 september 2021;
- veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] € 12.950,-- te betalen ter zake achterstallige huur over de periode tot en met december 2021, vermeerderd met de wettelijke rente over € 10.600,-- (de huurachterstand tot en met september 2021) vanaf 13 september 2021 en vermeerderd met de wettelijke rente over nadien vervallen bedragen van € 450,-- (oktober 2021), € 950,-- (november 2021) en € 950,-- (december 2021) vanaf de eerste van elke genoemde maand;
- veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde 1] [geïntimeerde 2] € 950,-- per maand te betalen met ingang van januari 2021 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke rente over de vervaldatum van elke termijn;
- veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] € 881,-- te betalen ter zake buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 september 2021;
- de veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde, met dien verstande dat de ontruiming uiterlijk dient plaatst te vinden binnen drie weken na betekening van dit arrest;
- de veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het geding bij de kantonrechter;