ECLI:NL:GHSHE:2017:567
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging niet-ontvankelijkheid verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens ontbreken minnelijk traject
In deze zaak verzocht appellante in hoger beroep om vernietiging van het vonnis van de rechtbank Limburg, die haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk had verklaard. De rechtbank had geoordeeld dat het verzoek niet kon worden behandeld omdat er voorafgaand aan het toelatingsverzoek geen minnelijk traject had plaatsgevonden, zoals vereist in artikel 285 lid 1 sub f van Pro de Faillissementswet.
Appellante voerde aan dat wanneer een gemeentelijke kredietbank geen minnelijk traject uitvoert, de rechtbank het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling had moeten aanhouden om alsnog het minnelijk traject te kunnen doorlopen. Zij stelde dat de rechtbank ten onrechte tot niet-ontvankelijkheid had beslist zonder aanhouding.
Het hof oordeelde dat het ontbreken van een minnelijk traject een dwingende voorwaarde is voor ontvankelijkheid van het verzoek, en dat appellante onvoldoende had gesteld dat thans wel een minnelijk traject was doorlopen. Bovendien stond de aard van de schuldenlast, waaronder belastingschulden en een clusterschuld aan het CJIB, toelating tot de regeling in de weg. Ook het niet overleggen van jaarstukken belemmerde inzicht in de financiële situatie.
Het hof concludeerde dat de rechtbank terecht het verzoek niet-ontvankelijk had verklaard en bekrachtigde het vonnis. Daarmee blijft het verzoek van appellante om toelating tot de schuldsaneringsregeling afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een minnelijk traject.