Belanghebbende kocht een auto in Duitsland met een kilometerstand van 303 en zonder gebruikssporen, die zij als gebruikte auto aangaf voor BPM. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat de auto als nieuw werd beschouwd, wat leidde tot een hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank die de naheffingsaanslag handhaafde.
Het Hof oordeelde dat de lage kilometerstand en het ontbreken van gebruikssporen duiden op een nieuwe auto in de zin van de Wet BPM, aansluitend bij arresten van de Hoge Raad. Het verdedigingsbeginsel was niet geschonden omdat belanghebbende schriftelijk gelegenheid had gekregen te reageren. Tevens werd geen overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld, waardoor geen immateriële schadevergoeding werd toegekend.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en geen vergoeding van griffierechten of proceskosten toegekend.