Voetnoten
2.Deze stand van 10 kilometer is niet door de Rechtbank of het Hof vastgesteld, maar blijkt uit de, zich in het dossier bevindende, verkoopfactuur d.d. 11 januari 2012, van [B] aan [A] BV.
3.Een ‘exportkenteken’.
4.Vermoedelijk door [A] BV, maar vastgesteld is dat niet.
5.Ingevolge artikel 7, eerste lid, Wet BPM, wordt, indien de aanvraag voor de opgave van een kenteken voor een auto geschiedt door een ander (in casu belanghebbende) dan degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld (in casu [A] BV), die ander (belanghebbende) gehouden de belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld.
9.De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie zijn meestal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. In citaten voorkomende witregels zijn soms weggelaten.
10.Voetnoot A-G: Tijdens de zitting voor het Hof heeft de Inspecteur gesteld dat er in het onderhavige geval sprake is van een zogenaamde U-bochtconstructie; dat hij het oogmerk tot belastingbesparing niet heeft onderzocht maar dit afleid uit de korte tijdsspanne tussen aankoop door [A] BV en de registratie in het Nederlands kentekenregister ten name van [A] BV, waarbij [A] BV de auto in de tussengelegen periode bewust kilometers heeft laten maken.
11.Hier is vooral rechtspraak opgenomen die is verschenen na eerdere conclusies van mijn hand over BPM. Zie voor meer oudere rechtspraak de conclusies van 23 april 2015 in de zaken 14/01502 en 14/01503, ECLI:NL:PHR:2015:609. 12.Dit doet zich in casu voor. Zie de Inleiding bij deze conclusie, onderdeel 1.5 en de noot daarbij.
13.Wijzigingsbesluit Kaderbesluit BPM en Kaderbesluit MRB van 7 april 2017, nr. BLKB2017/1135M, Stcrt. 2017/21206,
29.HvJ EU 26 april 2012, nrs. C-578/10, C-579/10 en C-580/10 (Van Putten, Mook en Frank), ECLI:NL:EU:C:2012:246 (niet gepubliceerd),
30.HvJ EU 21 november 2013, C-302/12 (X), ECLI:EU:C:2013:756,
32.Conform artikel 7, eerste lid, van de Wet BPM. Ingevolge dit artikellid wordt, indien de aanvraag voor de opgave van een kenteken voor een auto geschiedt door een ander dan degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, die ander gehouden de belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. Zie voor de tekst daarvan onderdeel 4.2.
33.Zie 4.5 voor het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2009.
34.In onderdeel 4.6 is het arrest van de Hoge Raad van 14 september 2012 opgenomen.
35.Zie onderdeel 4.7 van deze conclusie voor het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016.
36.Het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017 is opgenomen in onderdeel 4.8.
37.Zie voor r.o. 4.4 van de uitspraak van het Hof onderdeel 2.6.
38.Vgl. voor de ‘U-bochtconstructie’ r.o. 2.9.2 van de uitspraak van de Rechtbank als opgenomen in onderdeel 2.3.
39.De lagere rechtspraak is niet unaniem. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2017:1764, onderdeel 4.10) acht enkel de gereden kilometers van belang. Rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2018:895, onderdeel 4.17) acht bovendien van belang wie als eerste gebruiker van de auto is aan te merken alsmede de staat van de auto. Rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2018:1630, onderdeel 4.18) heeft in een bepaalde zaak de registratieperiode in het buitenland en de gebruikssporen van belang geacht. 40.Immers o.g.v. artikel 1, tweede lid, van de Wet BPM is de BPM verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto. Zie voor de tekst van dit artikel onderdeel 4.2.
41.Zie tevens onderdeel 5.16 van mijn conclusie van 23 april 2015 in de zaken 14/01502 en 14/01503, ECLI:NL:PHR:2015:609. Vgl. ook r.o. 4.2 van de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van15 februari 2018, als opgenomen in onderdeel 4.17 van deze conclusie. 42.Zie de volgende uitspraken: gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 april 2017 (zie onderdeel 4.10), gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 december 2017 (zie onderdeel 4.15) en de rechtbank Zeeland-West-Brabant van7 september 2017 (zie onderdeel 4.16).
43.Overigens noemt het besluit van 7 april 2017 ook nog als relevante omstandigheid de leeftijd van de auto (het tijdsverloop tussen datum eerste toelating in het buitenland en datum eerste registratie in Nederland). Dat is naar mijn mening van minder groot belang. Zie voor het besluit onderdeel 4.3.
44.Zie voor de toelichting op dit middel onderdeel 3.5.
45.Zie voor het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2017 onderdeel 4.22 van deze conclusie.