Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
Tenslotte heeft de Inspecteur aan belanghebbende een vergoeding wegens immateriële schade toegekend van in totaal € 11.000 en een kostenvergoeding van in totaal € 729.
IB/PVV 2005 vernietigd en het betreffende bezwaar (alsnog) niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige heeft de Rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.
2.Feiten
17 december 2003 is de aanslag IB/PVV 2000 met boete opgelegd.
11 juni 2003, 2 juli 2003, 14 juli 2003 en 17 juli 2003 ontvangen.
19 september 2005 een kennisgeving verzonden en op 20 oktober 2005 een mededeling. Deze aanslag met boete is opgelegd op 25 november 2005; hiertegen is reeds op
23 november 2005 (door de Inspecteur ontvangen op 24 november 2005) bezwaar gemaakt.
19 juni 2006 een kennisgeving verzonden en op 11 juli 2006 een mededeling. Deze aanslag met boete is opgelegd met dagtekening 29 december 2006. Met dagtekening
19 januari 2007 (door de Inspecteur ontvangen op 23 januari 2007) heeft belanghebbende daartegen bezwaar gemaakt.
9 januari 2008 door de Inspecteur is ontvangen.
Op 23 december 2010 heeft belanghebbende daartegen bezwaar gemaakt (door de Inspecteur ontvangen op 27 december 2010).
14 maart 2011. De aanslag IB/PVV 2008 met boete is opgelegd met dagtekening
23 april 2011; hiertegen is reeds op 21 april 2011 (door de Inspecteur ontvangen op
22 april 2011) bezwaar gemaakt.
25 juli 2012 brengt de Inspecteur het definitieve hoorverslag uit.
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4.Gronden
Partijen zijn het erover eens dat het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2005 buiten de termijn van artikel 6:7 van Pro de Awb is ingediend en daarom ten onrechte ontvankelijk is verklaard. De rechtbank acht dit juist en verklaart het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2005 daarom gegrond. De uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag IB/PVV 2005 wordt vernietigd en het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard.“
2.3.1. In BNB 1992/306 is in de eerste plaats geoordeeld dat het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak in ieder geval toelaatbaar is, indien de verkrijging van die bewijsmiddelen niet onrechtmatig was jegens de belanghebbende in die zaak.
De Inspecteur heeft een en ander gemotiveerd weersproken.
Voor zover belanghebbende bedoelt dat er nog andere stukken zijn die de Inspecteur in het geding had moeten brengen, stelt het Hof in de eerste plaats vast dat belanghebbende onvoldoende heeft gemotiveerd, welke andere stukken van belang zijn geweest voor de besluitvorming in deze zaak en voorts dat de Inspecteur heeft ontkend dat dergelijke stukken bestaan. Ook overigens zijn er naar het oordeel van het Hof geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd zodat de grief hieromtrent van belanghebbende dient te worden verworpen.
2.39. De door de inspecteur gebruikte tijd bij het opleggen van de navorderingsaanslagen in het kader van het Rekeningenproject, waarvan de onderhavige zaken deel uit maken, is onder te verdelen in grofweg drie periodes. Blijkens de gedingstukken zijn op 27 oktober 2000 omvangrijke gegevens met betrekking tot enige duizenden rekeninghouders van KBL aan de Nederlandse autoriteiten verstrekt. Op basis daarvan is een onderzoekstraject gestart en is het Rekeningenproject opgezet. De op die wijze verkregen gegevens omtrent de mogelijke rekeninghouders zijn in de loop van 2002 verstrekt aan de inspecteurs onder wie deze rekeninghouders ressorteerden. Op basis van die gegevens is door die inspecteurs vervolgens per geval nader onderzoek aangevangen. Dit heeft geleid tot een eerste contact van de inspecteur met belanghebbende in januari 2002. De rechtbank acht het voorgaande tijdsverloop in de eerste periode aanvaardbaar.
Voorts heeft de Inspecteur gesteld, dat het ook praktisch onmogelijk was om de resterende aanslagen tegelijkertijd met, of kort na, de eerste serie aanslagen op te leggen, omdat de navorderingsaanslagen over de latere jaren gelijktijdig met tienduizenden aan andere belastingplichtigen met KBL rekeningen op te leggen navorderingsaanslagen handmatig opgelegd moesten worden (zogenaamde “penaanslagen”). Dit was onuitvoerbaar. Nu deze aanslagen in 2003 werden opgelegd, kon een deel daarvan, aldus de Inspecteur, via de geautomatiseerde systemen worden opgelegd.
20 augustus 2013 heeft ontkend rechthebbende te zijn tot de bankrekening(en) bij KBL. Het Hof acht aannemelijk dat ook overigens geen onaanvaardbare vertraging is opgetreden.
20 augustus 2015. Aangezien het Hof ruimschoots binnen twee jaren nadien uitspraak heeft gedaan, is er voor een vergoeding van immateriële schade in hoger beroep geen plaats.