Belanghebbende was sinds 3 juni 2014 houder van een kampeerauto en verzocht op 15 december 2014 telefonisch om toepassing van het bijzonder tarief (kwarttarief) voor kampeerauto’s. De Inspecteur kende dit tarief toe met ingang van 19 november 2014. Belanghebbende stelde dat het kwarttarief al vanaf de tenaamstelling van toepassing had moeten zijn, omdat de kampeerauto als zodanig was gebouwd en de Belastingdienst op haar website vermeldde dat bij tenaamstelling geen apart verzoek nodig was wanneer het tarief al voor de vorige houder gold.
Het Hof stelde vast dat de tekst op de website van de Belastingdienst inderdaad onduidelijk was en dat belanghebbende in redelijkheid mocht menen dat een apart verzoek niet nodig was. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat onjuiste voorlichting door de fiscus in beginsel niet voor diens rekening komt, behalve wanneer de belastingplichtige de onjuistheid niet had kunnen beseffen en daardoor schade lijdt. Het Hof vond dat deze eis minder strikt is wanneer de belastingplichtige een voordeel wordt onthouden waarop hij recht heeft.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende het verzoek tot toepassing van het kwarttarief achterwege mocht laten en dat de gevolgen daarvan voor rekening van de Inspecteur moeten komen. Daarom werd de ingangsdatum van het kwarttarief gesteld op 3 juni 2014. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de betaalde griffierechten en een tegemoetkoming in de proceskosten van belanghebbende.