Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 22 november 1985 betreffende de hem voor het jaar 1983 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een notaris in dienstbetrekking, voerde in zijn aangifte inkomstenbelasting 1983 een bedrag aan opgeofferd woongenot van zijn werkkamer op van ƒ 2.317,93, gebaseerd op de door de Inspecteur verstrekte Toelichting bij het aangiftebiljet. De Inspecteur stelde dit bedrag echter op ƒ 613,12. Het geschil betrof de juiste toepassing van huurwaardetabellen die in de Toelichting onjuist waren verwezen, wat leidde tot een hogere aftrek dan volgens de wet toegestaan.
Het Hof stelde vast dat de verwijzing in de Toelichting naar de verkeerde huurwaardetabel onjuist was en tot een resultaat in strijd met de wet leidde. Het Hof overwoog dat de fiscus niet gebonden is aan alle uitlatingen die verwachtingen wekken, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Belanghebbende had niet gesteld of bewezen dat hij door de onjuiste voorlichting een handeling had verricht die tot extra schade leidde.
De Hoge Raad bevestigde dat niet elke onjuiste uitlating van de fiscus tot afwijking van de wet leidt. Alleen wanneer de belastingplichtige de onjuistheid niet had kunnen beseffen en daardoor schade lijdt, kan de fiscus aan die uitlatingen worden gebonden. In dit geval was dat niet het geval, zodat het beroep van belanghebbende werd verworpen. Hiermee werd het belang van een juiste wetstoepassing en de onbelemmerde voorlichtingsfunctie van de fiscus gewaarborgd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt verworpen; de fiscus is niet gebonden aan de onjuiste algemene voorlichting in de Toelichting.