Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2017:997

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 maart 2017
Publicatiedatum
14 maart 2017
Zaaknummer
200.162.247_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 179 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot getuigenverhoor en comparitie in civiele procedure over betalingsgeschil

In deze civiele hoger beroep procedure tussen een vennootschap onder firma en een geïntimeerde heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 14 maart 2017 een arrest gewezen waarin het hof een getuigenverhoor beveelt. Het hof stelt partijen in de gelegenheid om getuigen tegenover elkaar te laten staan conform artikel 179 lid 2 Rv Pro, vanwege tegenstrijdige verklaringen en een brief die aanleiding gaf tot verdenking van meineed.

Het hof bepaalt dat de getuigen opnieuw zullen worden gehoord, waarbij de aanwezigheid van een raadsheer-commissaris wordt voorgeschreven. Tevens wordt een comparitie van partijen gelast aansluitend aan de getuigenverhoren om verdere procedurele stappen te bespreken. Het hof legt de verantwoordelijkheid voor het oproepen van getuigen bij de appellanten en stelt een termijn voor het opgeven van verhinderdata.

Deze procedurele beslissing volgt op een uitgebreid proces met meerdere memorieën, producties en eerdere tussenarresten. Het hof houdt verdere beslissingen aan en geeft uitvoering aan het hoor en wederhoor principe in deze civiele zaak over een geschil dat onder meer draait om betalingsafspraken en de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen.

Uitkomst: Het hof beveelt het verhoor van getuigen tegenover elkaar en een comparitie van partijen, en houdt verdere beslissingen aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.162.247/01
arrest van 14 maart 2017
in de zaak van

1.De vennootschap onder firma

[appellante 1] V.O.F.,gevestigd te [plaats] ,
2.
[appellant 2] ,wonende te [plaats] ,
3.
[appellante 3] ,wonende te [plaats] ,
appellanten,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten] ,
advocaat: mr. J.P. de Man te Rosmalen,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. R.G.F. Lammers te Oss,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 17 mei 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch onder zaaknummer 2880081/303/14-2573 gewezen vonnis van 18 september 2014.

1.Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 17 mei 2016;
  • het proces-verbaal van de enquête van 8 augustus 2016;
  • het proces-verbaal van de contra-enquête van 2 november 2016;
  • de memorie na enquête van de zijde van [appellanten] van 6 december 2016 met zeven producties;
  • de antwoordmemorie na enquête van [geïntimeerde] van 3 januari 2017 met vier producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1
Van de zijde van [appellanten] zijn de volgende getuigen gehoord:
  • [appellant 2] (partijgetuige);
  • de heer [getuige 1] ;
  • de heer [getuige 2] ;
  • de heer [getuige 3] .
2.2
Vervolgens zijn van de zijde van [geïntimeerde] als getuigen gehoord:
  • [geïntimeerde] (partijgetuige);
  • de heer [getuige 4] .
2.3
Bij memorie na enquête heeft [appellanten] onder meer een brief van getuige [getuige 3] van 8 november 2016 overgelegd (productie 1 bij memorie na enquête). Die brief is gelet op de inhoud ervan kennelijk een reactie op een brief van mr. De Man aan deze getuige. Volgens de brief van [getuige 3] heeft [geïntimeerde] hem na de getuigenverhoren telefonisch onder meer meegedeeld dat [geïntimeerde] ‘op de zitting is gaan dwalen’ en dat hij in het verleden meerdere malen aan [getuige 3] heeft meegedeeld dat hij zorg zou dragen voor betalingen aan [appellanten] . Tevens is tegen [geïntimeerde] en [getuige 4] aangifte van meineed gedaan (productie 2 bij memorie na enquête). Het hof ziet in de brief van [getuige 3] aanleiding hem en [geïntimeerde] als getuigen tegenover elkaar te stellen als bedoeld in artikel 179 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zij zullen daartoe opnieuw worden gehoord. Het hof wenst voorafgaand aan de getuigenverhoren een afschrift te ontvangen van de brief van mr. De Man, die kennelijk aan de brief van [getuige 3] vooraf is gegaan.
2.4
Bij memorie van antwoord na enquête heeft [geïntimeerde] een proces-verbaal overgelegd van een comparitie van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 juni 2011, gehouden in een procedure tussen [geïntimeerde] en Bouwbedrijf [Bouwbedrijf] B.V. (productie 8). [appellanten] heeft nog niet op dit stuk kunnen reageren. Hij zal daartoe in een na afloop van de getuigenverhoren te houden comparitie in de gelegenheid worden gesteld. Voor zover [appellanten] in het overgelegde proces-verbaal aanleiding ziet de getuige [getuige 1] (destijds statutair directeur van Bouwbedrijf [Bouwbedrijf] B.V.) opnieuw te laten horen, dient [appellanten] deze getuige daartoe opnieuw op te roepen. In dat geval dienen ook de verhinderdata van deze getuige te worden opgegeven, zodat een zitting kan worden gepland waarbij alle getuigenverhoren en de comparitie op één dagdeel kunnen plaatsvinden.
2.5
Het hof zal tevens bepalen dat de heer [appellanten] bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig dient te zijn.
2.6
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.De uitspraak

Het hof:
beveelt een verhoor van de getuigen [getuige 3] en [geïntimeerde] ;
bepaalt dat deze getuigen tegenover elkaar zullen worden gesteld;
bepaalt dat de heer [appellant 2] bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig dient te zijn;
bepaalt dat de getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. J.F.M. Pols als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch op een nader door deze te bepalen datum;
verwijst de zaak naar de rol van 28 maart 2017 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten en door partij [appellanten] ook van de verhinderdata van de te horen getuigen, in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;
bepaalt dat partij [appellanten] zorg dient te dragen voor oproeping van de getuigen;
bepaalt dat partij [appellanten] uiterlijk twee weken voor de te houden zitting aan het hof en aan de wederpartij een afschrift dient te verstrekken van de in overweging 2.3 bedoelde brief van mr. De Man;
bepaalt dat aansluitend aan de getuigenverhoren een comparitie van partijen zal worden gehouden, met het in overweging 2.4 genoemde doel;
bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de zitting zal vaststellen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.F.M. Pols, G.A.M. Peper en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 maart 2017.
griffier rolraadsheer