Belanghebbende, een inwoner van België met een aanmerkelijk belang in een Nederlandse BV, ontving in 2005 en 2006 liquidatie-uitkeringen van deze BV. De Nederlandse inspecteur legde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op over deze uitkeringen, welke belanghebbende betwistte.
De rechtbank oordeelde dat de uitkeringen terecht als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang werden aangemerkt en beperkte de aanslag tot een inkomen van €1.374.650 tegen 15%. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde onder meer aan dat Nederland niet bevoegd was tot heffing, dat de heffing de vrijheid van kapitaalverkeer schond, en dat er sprake was van ongelijke behandeling.
Het Hof bevestigde het oordeel van de rechtbank dat Nederland op grond van het belastingverdrag met België en het bijbehorende protocol bevoegd is om maximaal 15% belasting te heffen over de liquidatie-uitkeringen. Het Hof verwierp de stelling dat de heffing de vrijheid van kapitaalverkeer belemmerde, omdat de vermeende belemmering voortkomt uit de Belgische wetgeving en niet uit het Nederlandse belastingregime. Ook werd het beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen, omdat de situatie van liquidatie-uitkeringen wezenlijk verschilt van verkoop van aandelen.
Verder oordeelde het Hof dat de inspecteur niet onzorgvuldig heeft gehandeld door direct bij belanghebbende te heffen in plaats van naheffing dividendbelasting bij de BV. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.