Uitspraak
12.Het verdere verloop van de procedure
- het tussenarrest van 30 mei 2017;
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 8 december 2017;
- de memorie na enquête van [appellant] ;
- de akte schorsing en hervatting van de (opvolgend) curator met één productie;
- de antwoordmemorie na enquête van de curator met één productie.
13.De verdere beoordeling
€ 45.000,-- aan hem in 2011 is voldaan als netto equivalent van de aan hem nog verschuldigde bonus over 2006, zodat dit bedrag niet door hem terugbetaald behoefde te worden.
het sowieso zijn geld was”en dat hij zich dus niet druk hoefde te maken over de terugbetaling
.Aldus bevestigt getuige [getuige 2] dat het hier niet ging om een geldlening met de daarbij behorende gebruikelijke bedingen, waaronder de verplichting tot aflossing. Het hof acht tot slot van belang dat niet is gebleken is dat het bonusbedrag op een andere wijze aan [appellant] is uitbetaald. In de jaarstukken die vanaf 2006 tot en met 2010 in eerste aanleg zijn overgelegd, wordt geen melding gemaakt van dit bonusbedrag. Ook is door de curator geen stuk in het geding gebracht waar betaling op een andere wijze uit blijkt. Dat naar het oordeel van de curator uitbetaling best eerder had gekund vanwege per peilmoment van de jaarrekeningen aanwezige respectieve liquide middelen maakt niet dat de betaling heeft plaatsgevonden en maakt evenmin dat de keuze vanwege cashflow posities in de respectieve jaren door [appellant] is gemaakt zoals die is gemaakt.
€ 45.000,-- dient te worden afgewezen. De grieven III, IV en V, ziende op verrekening, de hoogte van de bonus en de wettelijke rente over de geleende hoofdsom, behoeven geen beoordeling, nu het belang daaraan is komen te ontvallen. Er is geen sprake van verrekening nu er geen vorderingen over en weer bestaan: de curator heeft geen vordering tot terugbetaling uit hoofde van de “geldlening” en [appellant] heeft geen vordering uit hoofde van een hem toekomende bonus, nu deze reeds aan hem is uitbetaald. Het beroep van de curator op nietigheid of vernietigbaarheid van de verrekening kan om deze reden onbesproken blijven. Dit geldt ook voor de stellingen van de curator dat [appellant] nu zijn recht op deze bonus heeft verwerkt of daarop nu geen aanspraak meer kan maken. In rechte staat immers vast dat [appellant] deze bonus, althans het netto deel ervan reeds heeft ontvangen.
15.De uitspraak
€ 4.332,30 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;