Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het bij brief van 19 maart 2018 door [appellante] toegezonden rapport van [groep] van 5 november 2015 (productie 1 bij conclusie van antwoord in reconventie), dat bij de comparitie in het geding is gebracht;
- een brief van mr. M.C.G. Nijssen dat zij is aangewezen als tijdelijk waarnemer van de praktijk van mr. Van Dinter.
6.De beoordeling
nietin voldoende mate waren verholpen, zodat de aanspraak van [appellante] op de volledige voordien geldende huurprijs niet gerechtvaardigd is, en de maandelijkse huurprijs per 1 juni 2006 vastgesteld op € 320.
er is sprake van gevolgschade aan het gehuurde van een inmiddels opgeheven gebrek,zou zijn veroorzaakt door tekortkomingen van [geïntimeerde] (verwaarlozing van de woonruimte en het veroorzaken van bevriezing en lekkage van een waterleiding) niet aannemelijk had gemaakt.
grief VI, die is gericht tegen een overweging ten overvloede, dat de kantonrechter is uitgegaan van verkeerde feiten. Zoals hiervoor is overwogen volgt het hof [appellante] daarin niet, zodat ook deze grief faalt.
grief VIIop tegen het passeren van het bewijsaanbod en tegen de proceskostenveroordeling. Uit het voorgaande volgt dat ook deze grieven falen.