Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 4661815 \ CV EXPL 15-12900)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met 27 producties;
- de memorie van antwoord.
3.De beoordeling
- [appellant] , geboren op [geboortedatum] 1964, is op 1 mei 1999 in dienst getreden van [geïntimeerde] . Artikel 4.3 van de arbeidsovereenkomst bevat een bonusregeling.
- [appellant] is bij [geïntimeerde] laatstelijk werkzaam geweest in de functie van Senior Marketing & Sales Specialist tegen een bruto salaris van € 5.731,83 per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en overige emolumenten.
- In een gesprek van 10 februari 2015 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] meegedeeld dat [geïntimeerde] wilde komen tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [appellant] heeft vanaf dat moment geen werkzaamheden meer voor [geïntimeerde] verricht.
- [geïntimeerde] heeft omstreeks 10 februari 2015 een verzoek ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [appellant] heeft kenbaar gemaakt niet met dat verzoek in te stemmen. De partijen hebben vervolgens overleg gevoerd. Dat overleg heeft geleid tot een door partijen gesloten en op 31 maart 2015 ondertekende vaststellingsovereenkomst.
- I. tot betaling van € 573,18 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 augustus 2015, ter zake de niet toegekende salarisverhoging over de periode van 1 april 2015 tot 1 augustus 2015;
- II. tot betaling van € 7.428,40 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 mei 2015, ter zake de niet toegekende bonus;
- III. € 4.000,49 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van de inleidende dagvaarding, zijnde 27 november 2015, ter zake de wettelijke verhoging van 50% over de onder I en II gevorderde bedragen;
- IV. tot verstrekking van een positief geredigeerd getuigschrift op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- Het verweer van [geïntimeerde] dat [appellant] geen recht heeft op de nu gevorderde bedragen omdat de partijen elkaar in de vaststellingsovereenkomst finale kwijting hebben verleend, treft geen doel (rov. 4.8).
- Het verweer van [geïntimeerde] dat de bonus in de arbeidsovereenkomst niet is gekwalificeerd als een emolument (een “fringe benefit”) en dat [appellant] door artikel 8 van Pro de vaststellingsovereenkomst, waarin staat dat hij zijn aanspraak op emolumenten behoudt, dus niet zijn eventuele aanspraak op de bonus heeft behouden, treft geen doel (rov. 4.9).
- Omdat [appellant] aanspraak maakt op de bonus is het aan hem om zijn stelling dat hij voldoende heeft gepresteerd om in aanmerking te komen voor de bonus, voldoende te onderbouwen. [appellant] heeft zijn stelling in het licht van het door [geïntimeerde] gevoerde verweer onvoldoende onderbouwd. De vordering ter zake de bonus moet daarom worden afgewezen (rov. 4.10).
- Hetzelfde geldt voor de gevorderde salarisverhoging. [appellant] heeft tegenover het door [geïntimeerde] gevoerde verweer niet aangetoond dat hij aanspraak heeft op de salarisverhoging. Ook die vordering moet dus worden afgewezen (rov. 4.11).
- De vordering ter zake het verstrekken van een getuigschrift is toewijsbaar (rov. 4.13).
- I. € 573,18 bruto ter zake de niet toegekende salarisverhoging over de periode van 1 april 2015 tot 1 augustus 2015, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 augustus 2015;
- II. € 7.428,40 bruto ter zake de niet toegekende bonus, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 mei 2015;
- III. € 4.000,49 bruto ter zake de wettelijke verhoging van 50% over de onder I en II gevorderde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van de inleidende dagvaarding, zijnde 27 november 2015;
“Werknemer behoudt tot datum einde arbeidsovereenkomst zijn recht op salaris en alle overige op grond van de arbeidsovereenkomst toekomende emolumenten”.Het hof neemt hier ook bij in aanmerking dat in artikel 4.3 van de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat de werknemer alleen recht heeft op de bonus als hij “still employed” is op 1 maart van het (fiscale) bonusjaar. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] aan deze voorwaarde voldoet omdat partijen in de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst van [appellant] (pas) op 1 augustus 2015 zou eindigen. Als [geïntimeerde] aan [appellant] desondanks zijn eventuele aanspraak op een bonus over het jaar van 1 april 2014 tot en met 31 maart 2015 had willen ontnemen, had zij dat duidelijk in de vaststellingsovereenkomst moeten opnemen. Nu zij dat niet gedaan heeft, gaat haar desbetreffende verweer niet op.
- Stap 1 betreft het vaststellen van de strategie en zakelijke doelstellingen van [geïntimeerde] .
- Stap 2 houdt in dat elke manager in de eerste maand van de cyclus (dat wil zeggen in april, aangezien de cyclus loopt van 1 april tot 1 april) de target voor elke onder zijn verantwoordelijkheid vallende werknemer moet vaststellen. Deze target wordt dan beoordeeld door een hogere manager en daarna besproken met de werknemer. Deze eerste bespreking over de personal business targets tussen de manager en de werknemer moet plaatsvinden in de tweede maand van de cyclus (dus in mei).
- Stap 3 houdt in dat de manager en de werknemer tussen de vijfde en de achtste maand van de cyclus de persoonlijke ontwikkeling van de werknemer en de status van de persoonlijke targets en competenties bespreken.
- Stap 4 houdt in dat de manager in de eerste maand van de volgende cyclus (dus in april) de resultaten van de voorbije cyclus presenteert aan de werknemer. Eventuele bezwaren van de werknemer met betrekking tot de scores moeten dan worden besproken met een hogere manager.
- Stap 5 houdt in dat de gerealiseerde scores worden verbonden met het salaris- en bonussysteem, zodat zij worden verwerkt tot de nieuwe salarissen en de bonussen van dat jaar in de tweede maand van de volgende cyclus (dus in de maand mei).
4.De uitspraak
- I. € 573,18 bruto ter zake de niet toegekende salarisverhoging over de periode van 1 april 2015 tot 1 augustus 2015, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 augustus 2015;
- II. € 7.428,40 bruto ter zake de niet toegekende bonus, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 mei 2015;
- III. € 4.000,49 bruto ter zake de wettelijke verhoging van 50% over de onder I en II gevorderde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van de inleidende dagvaarding, zijnde 27 november 2015;