Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende en zijn echtgenote hebben in 2007 leningen verstrekt aan [bedrijf 6] B.V., een vennootschap die activiteiten overnam en waarin zij een aanmerkelijk belang hadden. De leningen waren aflossingsvrij, hadden een looptijd van tien jaar en droegen een rente van circa 5%. De Rabobank verstrekte daarnaast een rekening-courantkrediet aan de vennootschap met uitgebreide zekerheden, terwijl de leningen van belanghebbende en zijn echtgenote achtergesteld waren en geen reële zekerheden hadden.
Belanghebbende wilde de leningen afwaarderen ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden in zijn belastingaangifte over 2013, maar de Inspecteur weigerde dit omdat hij de leningen als onzakelijk kwalificeerde. De Rechtbank oordeelde in eerste aanleg in het voordeel van de Inspecteur, en belanghebbende ging in hoger beroep.
Het Hof bevestigde dat de leningen onzakelijk zijn, omdat een onafhankelijke derde onder dezelfde voorwaarden het debiteurenrisico niet zou hebben aanvaard. De door belanghebbende overgelegde prognoses en verklaringen waren onvoldoende om het risico als zakelijk te kwalificeren. De simultaanuitzondering, waarbij een lening niet onzakelijk is als aandelen worden verkregen in samenhang met de lening, was niet van toepassing vanwege de feitelijke omstandigheden en eerdere jurisprudentie.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Het Hof wees het verzoek tot vergoeding van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd; de leningen zijn onzakelijk en mogen niet worden afgewaardeerd ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden.