Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen opgelegd over de jaren 2010 en 2011 omdat persoonsgebonden aftrekposten onterecht waren geclaimd in de aangiften die door zijn belastingadviseur waren ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de aanslagen, maar de inspecteur stelde hoger beroep in.
Het hof stelde vast dat de inspecteur de navorderingsaanslagen terecht had opgelegd. Uit onderzoek bleek dat de belastingadviseur structureel onjuiste aftrekposten had opgevoerd, maar de inspecteur was pas na het opleggen van de primitieve aanslagen op de hoogte van deze onjuistheden. Het hof oordeelde dat er geen sprake was van ambtelijk verzuim omdat de inspecteur niet redelijkerwijs hoefde te twijfelen aan de juistheid van de aangiften vóór het landelijke onderzoek in 2013.
De rechtbankuitspraak werd vernietigd en het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard. Het hof wees het griffierecht en proceskostenveroordelingen af. De uitspraak werd gedaan door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 15 juni 2018.