Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met producties en het procesdossier van de eerste aanleg;
- het verweerschrift van [verweerster] , met producties, binnengekomen ter griffie op 27 februari 2018;
- de brief van [appellant] van 13 maart 2018 met de producties 23 en 24;
- de brieven van [verweerster] van 13 en 14 maart 2018 met de producties 10 t/m 12 resp. 13 t/m 15;
3.De feiten
4.Het verzoek, het verweer en de beslissing in eerste aanleg
5.Hoger beroep
onderzoekin het geding gebracht is, er bevinden zich (naast haar verklaring bij inl. verzoekschrift, prod. 9) alleen een voorblad van een proces-verbaal van aangifte door [collega 4] (prod. 19 verz.schrift in appel) en een bewijs van die aangifte bij de stukken. En de kritiek van [appellant] op de getuigenverklaring van [getuige 1] (“evident onbetrouwbaar”) leidt er, anders dan door [appellant] verdedigd, niet toe dat het onderzoek van [verweerster] incl. de getuigenverklaringen in z’n geheel van tafel gaat en de gevorderde ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen. [appellant] gaat er gemakshalve aan voorbij dat de wetgever door een samenstel van wettelijke bepalingen van een werkgever actief beleid verwacht ter zake van het inrichten van een veilige werkplek, het voorkomen van en reageren op signalen van seksuele intimidatie als bedoeld in artikel 7:646 BW Pro daaronder begrepen. Daarmee was [verweerster] jegens haar (eigen of ingeleende) werknemers (v/m) gehouden onderzoek te doen toen haar signalen bereikten van mogelijk laakbaar gedrag van [appellant] . [appellant] is in rechte in volle omvang - het hof komt hierop terug bij de behandeling van grief 4 - in de gelegenheid het bijgebrachte bewijs te kritiseren en zijn standpunt (daarover) naar voren te brengen. Grief 3 is vergeefs voorgedragen.
De rechter zal het voorgaande in zijn oordeelsvorming moeten betrekken door te onderzoeken of, uitgaande van de feiten en omstandigheden die - zo nodig na bewijslevering - zijn komen vast te staan, in redelijkheid kan worden geoordeeld dat sprake is van de door de werkgever aangevoerde ontslaggrond, in dit geval dus van [verwijtbaar handelen of nalaten] van de werknemer als bedoeld in art. 7:669 lid Pro 3, onder [e], BW.”