Appellant deed aangifte van diefstal van zijn auto, die vervolgens door geïntimeerde werd gekocht van een derde die beschikte over de originele sleutels en kentekenbewijzen. Appellant stelde dat de verkoop onrechtmatig was en dat geïntimeerde niet te goeder trouw was.
De kantonrechter wees de vordering van appellant af wegens verjaring. In hoger beroep voerde appellant vier grieven aan, waaronder het betwisten van de goede trouw van geïntimeerde en het beroep op verjaring. Het hof oordeelde dat geïntimeerde te goeder trouw was bij de overdracht, omdat zij de autopapieren had gecontroleerd en geen aanwijzingen van diefstal aanwezig waren.
Verder werd overwogen dat het risico van onterechte vertegenwoordiging door de verkoper voor rekening van appellant komt, omdat hij de autosleutels had uitgeleend. Het hof concludeerde dat geïntimeerde niet onrechtmatig had gehandeld door de auto door te verkopen en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, waarbij appellant tevens werd veroordeeld in de proceskosten van hoger beroep.