Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 701115 CV EXPL 12-712)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel met producties;
- de akte van [geïntimeerde] d.d. 20 mei 2014 met productie;
- de antwoordakte van Dexia d.d. 17 juni 2014;
- de akte van Dexia d.d. 1 november 2016 met productie;
- de antwoordakte van [geïntimeerde] d.d. 29 november 2016 met producties.
3.De beoordeling
- [tussenpersoon] beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht, terwijl;
- Dexia hiervan op de hoogte was dan wel behoorde te zijn.
Becker-Dexiaen ECLI:NL:HR:2016:2015,
Dexia/Oerlemans) voor de beoordeling van onderhavig geschil. In haar daartoe strekkende akte van 1 november 2016 heeft Dexia gesteld dat [geïntimeerde] zich voor het eerst in de conclusie van antwoord van 4 april 2012 op het standpunt heeft gesteld dat Dexia schadeplichtig zou zijn in verband met de rol van de tussenpersoon en in verband met schending van artikel 41 NR Pro 99. Het beroep op schending van artikel 41 NR Pro 99 is een zelfstandig grond voor aansprakelijkheid die [geïntimeerde] aldus aan zijn vordering ten grondslag legt. Dit volgt volgens Dexia ook uit (rov. 5.6.2. in) het arrest Beckers/Dexia. [geïntimeerde] had volgens Dexia de (de door hem gestelde) vordering uit hoofde van schending van artikel 41 NR Pro 99 zelfstandig moeten stuiten. Dit heeft hij niet gedaan, zodat - zo begrijpt het hof de stellingen van Dexia op dit punt - de mogelijkheid van [geïntimeerde] om in deze procedure de schending van artikel 41 NR Pro 99 aan zijn vordering ten grondslag te leggen, is verjaard.