Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/171065 / HA ZA 12-180)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met productie;
- de akte van de zijde van de man met producties;
- de antwoordakte van de zijde van de vrouw met productie.
3.De beoordeling
tussenvonnis van 15 augustus 2012heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze comparatie heeft plaatsgevonden op 8 februari 2013 en is voortgezet op 21 mei 2013. Van deze comparities is proces-verbaal opgemaakt.
vonnis van 11 december 2013heeft de rechtbank de vrouw opgedragen te bewijzen dat:
vonnis van 23 juli 2014heeft de rechtbank (in het kader van de bewijsopdracht aan de vrouw) een (handschrift)deskundige benoemd ter beantwoording van de vraag of de handtekening onder de door de vrouw als productie 2 bij het B8-formulier van 7 mei 2013 (in afschrift) overgelegde onderhandse akte de echte handtekening van de man is. De vrouw heeft vervolgens afgezien van de aan haar opgedragen bewijslevering.
eindvonnis van 28 december 2016heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de huwelijksgemeenschap, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, als volgt vastgesteld:
- de auto van het merk Peugeot met het kenteken [kenteken 1] (hierna: de Peugeot) is toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 9.500,--, onder de verplichting om de helft van die waarde aan de vrouw te voldoen;
- de man is veroordeeld tot betaling van € 35.000,-- aan de vrouw.
manheeft tijdig hoger beroep ingesteld. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 11 december 2013, 23 juli 2014 en 28 december 2016 en, opnieuw rechtdoende, een gedeelte van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap als volgt te verbeteren:
- het doorlopend krediet (grief 1);
- de [onderneming] schuld (grief 2);
- de Peugeot (grieven 3 en 4);
- de overeenkomst van geldlening (grieven 5 en 6).
vrouwheeft de grieven weersproken.
manstelt dat partijen tijdens hun huwelijk, in september 2013 (het hof begrijpt: 2003), bij de [bank 1] een doorlopend krediet (geldleningsovereenkomst met nummer [nummer] ) van € 10.000,-- hebben afgesloten. Dit bedrag is aangewend voor de verbetering van de echtelijke woning. De echtelijke woning was een bestanddeel van de huwelijksgemeenschap.
vrouwstelt, in aanvulling op haar stellingen die zij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht, dat de man ook in hoger beroep heeft nagelaten voldoende justificatoire bescheiden in het geding te betrekking over de schuld, de aflossingen, de besteding van de gelden aan de verbetering van de woning en de draagplicht van partijen. Zij wist niet dat de man de lening afsloot en had bovendien geen zeggenschap over de bankrekening die op naam van de man stond.
rechtbankoverwoog in rov. 4.27.:
hofoverweegt als volgt.
manbetoogt met zijn tweede grief, die zich richt tegen rov. 4.30 van het vonnis van de rechtbank van 11 december 2013, dat de schuld aan [onderneming] tijdens het huwelijk door de vrouw is aangegaan. Partijen zijn hiervoor in gelijke mate draagplichtig. De man heeft echter deze gehele schuld afgelost, zodat hij regres op de vrouw heeft voor de helft (€ 925,50) hiervan. De man kan niet beschikken over bewijsstukken waaruit blijkt dat hij deze schuld heeft voldaan, nu de geldleningsovereenkomst alleen door de vrouw is gesloten. De man vordert op grond van art. 22 Rv Pro de vrouw te bevelen bewijsstukken over te leggen, op te vragen bij [onderneming] , waaruit zal blijken dat van het bankrekeningnummer van de man via maandelijkse deelbetalingen de volledige schuld aan [onderneming] is betaald.
vrouwheeft de vordering betwist. Zij stelt dat de man deze vordering niet heeft onderbouwd.
hofzal, zoals ook de rechtbank, terecht en op goede gronden, heeft gedaan, deze vordering van de man afwijzen nu deze vordering op geen enkele wijze door de man is onderbouwd. Zo heeft de man, ook in hoger beroep, nagelaten inzichtelijk te maken dat door hem aflossingen (en in welke mate) zijn gedaan. Dat had, gelet op het bepaalde in art. 150 Rv Pro, wel op zijn weg gelegen. Van de man kon eenvoudig worden verlangd zijn bankrekeningoverzichten waaruit betalingen aan [onderneming] en/of aan de vrouw ter aflossing van de schuld aan [onderneming] konden worden blijken, over te leggen. Medewerking van [onderneming] en/of de vrouw was hiervoor niet nodig. De man heeft derhalve niet voldaan aan de op hem rustende stelplicht, zodat het hof niet toekomt aan de beoordeling van de (rechts)vragen naar de draagplicht van partijen voor deze schuld en het eventuele recht van regres van de man. De tweede grief faalt mitsdien.
manvoert ter onderbouwing van zijn grieven het volgende aan.
vrouwpersisteert in hoger beroep bij hetgeen zij in eerste aanleg heeft aangevoerd. Partijen zouden zijn overeengekomen dat de auto aan de man wordt toegedeeld tegen een waarde van € 8.000,--. Zij baseert zich hierbij op het concept-echtscheidings-convenant.
rechtbankheeft in rov. 2.10 van het bestreden vonnis aldus overwogen:
hofstelt voorop dat het verweer van de vrouw geen doel kan treffen nu dat gegrond is op het concept-echtscheidingsconvenant en de rechtbank in rov. 2.2. van het tussenvonnis van 23 juli 2014 heeft vastgesteld dat de vrouw zich heeft neergelegd bij het standpunt van de man dat geen overeenkomst voor de verdeling van de huwelijksgemeen-schap is gesloten. Tegen dat oordeel is geen grief gericht, zodat het hof bij zijn beoordeling er van uit zal gaan dat ter gelegenheid van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk geen afspraken zijn gemaakt over de waarde van de Peugeot.
manvoert ter onderbouwing van zijn grieven het volgende aan.
vrouwstelt dat de man in rechte niet overeenkomstig de waarheid heeft verklaard. De notaris heeft in zijn brief d.d. 8 juli 2005 (productie 3 bij memorie van antwoord) verwezen naar een met beide partijen gevoerd gesprek over de overeenkomst van geldlening. Vervolgens heeft de notaris een tweetal (getekende) overeenkomsten van geldlening aan partijen geretourneerd. Hieruit volgt dat de overeenkomst van geldlening tussen partijen tot stand is gekomen.
hofoverweegt dat de vrouw terugbetaling door de man van een bedrag van (thans) € 35.000,-- heeft gevorderd. Zij heeft die vordering gegrond op het bestaan van een overeenkomst van geldlening tussen partijen. Krachtens het bepaalde in art. 150 Rv Pro rust de stelplicht en bewijslast van het bestaan van die overeenkomst van geldlening en de daaruit voortvloeiende vordering van de vrouw op haar.
ontvangen(curs. hof) ten behoeve van verknochte uitgaven.
vijf en dertig duizend euro (€ 35.000,00)verklaart partij 1 aan partij 2 schuldig te zijn een bedrag van
vijf en dertig duizend euro (€ 35.000,00).
beiden(curs. hof) vriendelijkst deze overeenkomst in drievoud te ondertekenen (…)”.
4.De uitspraak
- het doorlopend krediet;
- de Peugeot