De ontvanger stelde belanghebbende aansprakelijk voor een vennootschapsbelastingschuld van Holding B.V. over 2007 en 2008. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat zij zich kon disculperen op grond van artikel 40, zesde lid, Invorderingswet 1990, omdat het niet aan haar te wijten was dat onvoldoende vermogen in Holding was achtergebleven.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aansprakelijkstelling vernietigd. De ontvanger ging in hoger beroep, stellende dat belanghebbende niet tot disculpatie kon worden toegelaten en dat zij onvoldoende tegenbewijs had geleverd.
Het hof overwoog dat belanghebbende mocht vertrouwen op het deskundige advies van haar belastingadviseur en dat eventuele nalatigheden van adviseurs niet aan haar konden worden toegerekend. Belanghebbende had geen reden om aan het advies te twijfelen. De constructie was complex en belanghebbende handelde te goeder trouw.
Het hof oordeelde dat belanghebbende slaagde in haar bewijs dat het niet aan haar te wijten was dat het vermogen ontoereikend was, en vernietigde de aansprakelijkstelling. Het hoger beroep van de ontvanger werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de ontvanger veroordeeld in de proceskosten.