ECLI:NL:GHSHE:2018:3718

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 september 2018
Publicatiedatum
7 september 2018
Zaaknummer
200.239.809_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 222 RvArt. 353 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voeging van hoger beroep kort geding en deurwaardersrenvooi wegens verknochtheid

In deze civiele procedure vordert appellante de voeging van haar hoger beroep kort geding met een ander hoger beroep in een deurwaardersrenvooi, beide aanhangig bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch. De vordering tot voeging is gebaseerd op artikel 222 Rv Pro, dat voeging mogelijk maakt bij verknochtheid van zaken, waarbij sprake is van identieke of nauw samenhangende feitelijke en juridische geschilpunten.

Appellante stelt dat beide procedures zich in hetzelfde stadium bevinden en dat voeging geen hinderlijke vertraging zal veroorzaken. Tevens wijst zij op de noodzaak van consistentie in de uitspraken, omdat het ene hoger beroep betrekking heeft op de exhibitievordering die bij vonnis is toegewezen, en het andere op de uitleg van dat vonnis in het deurwaardersrenvooi.

Geïntimeerden verzetten zich tegen de voeging, stellende dat de inhoudelijke bezwaren tegen het vonnis in de hoofdzaak niet vermengd moeten worden met het executiegeschil. Het hof oordeelt echter dat de verknochtheid en het belang van een doelmatige en consistente behandeling zwaarder wegen. De vorderingen blijven zelfstandig en de procespartijen dienen duidelijk te maken op welke zaak hun stukken betrekking hebben.

Het hof beveelt de voeging van de zaken en verwijst de hoofdzaak naar de rol voor memorie van antwoord, waarbij verdere beslissingen worden aangehouden. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

Uitkomst: De vordering tot voeging van de twee hoger beroepszaken wordt toegewezen om een consistente en doelmatige behandeling te waarborgen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.239.809/01
arrest van 4 september 2018
gewezen in het incident ex artikel 222 Rv Pro in de zaak van
[de vennootschap 1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. J.H. van der Weide te 's-Gravenhage,
tegen

1.[de vennootschap 2] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2.
[de vennootschap 3] ,gevestigd te [vestigingsplaats] (België),
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
advocaat: mr. R.G.J. de Haan te Amsterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 9 mei 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 april 2018, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen appellante – [appellante] – als gedaagde (tezamen met [betrokkene] ) en geïntimeerden – [geïntimeerden] – als eiseressen.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/246893/ KG ZA 18-107)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven tevens incidentele vordering tot voeging met producties;
  • de memorie van antwoord in de incidentele vordering tot voeging van [geïntimeerden] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3.De beoordeling

In het incident
3.1.
Ingevolge artikel 222 lid 1 Rv Pro, dat op grond van artikel 353 lid 1 Rv Pro ook van toepassing is in hoger beroep, kan, ingeval voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, daarvan de voeging worden gevorderd. Van verknochtheid in deze zin is sprake wanneer de feitelijke of juridische geschilpunten in de zaken identiek zijn dan wel een zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken geboden is. Daaraan kan ook zijn voldaan bij zaken tussen verschillende partijen.
3.2.
Vooropgesteld wordt dat de vordering tot voeging door [appellante] , gelet op de artikelen 222 lid 2 juncto artikel 353 lid 1 Rv Pro, tijdig is ingesteld.
3.3.
[appellante] vordert de voeging van de onderhavige zaak met de bij dit hof aanhangige zaak met zaaknummer 200.239.803/01, zijnde een procedure waarin de exhibitievordering van [geïntimeerden] is toegewezen bij vonnis van 13 april 2018.
[appellante] voert hiertoe onder meer aan dat de te voegen procedures zich in hetzelfde (begin)stadium bevinden, zodat de voeging niet zal leiden tot een hinderlijke vertraging van één van deze procedures.
Ook is aan de eis van verknochtheid voldaan omdat het in de te voegen procedures om (nagenoeg) hetzelfde feitencomplex gaat en ook zijn de juridische implicaties in beide procedure met elkaar verknocht. Onderhavige procedure is het hoger beroep tegen het vonnis van 13 april 2018 waarin de exhibitievordering van [geïntimeerden] is toegewezen, terwijl voeging wordt gevorderd met het hoger beroep in het deurwaardersrenvooi dat ziet op de uitleg van het vonnis van 13 april 2018. [appellante] acht het dan ook wenselijk dat deze zaken parallel lopen en door dezelfde rechter gevoegd worden behandeld, ook gelet op het risico van tegenstrijdige uitspraken.
3.4.
[geïntimeerden] verzetten zich tegen voeging. Zij stellen dat, als gevolg van een voeging de inhoudelijke bezwaren tegen de uitspraak in de hoofdzaak dan onderdeel van het debat in het executiegeschil kunnen worden. De aard van het executiegeschil verzet zich hiertegen, aldus [geïntimeerden]
3.5.
Naar het oordeel van het hof bestaat er tussen beide voornoemde zaken een zodanige band, dat het belang van een goede en doelmatige behandeling meebrengt dat deze zaken zoveel mogelijk gelijktijdig worden behandeld en beslist door dezelfde rechter.
Daartoe overweegt het hof dat [geïntimeerden] in beide procedures partij zijn. Onderhavige procedure is het hoger beroep tegen het vonnis van 13 april 2018 waarin de exhibitievordering van [geïntimeerden] is toegewezen, terwijl voeging wordt gevorderd met het hoger beroep in het deurwaardersrenvooi dat ziet op de uitleg van het vonnis van 13 april 2018. De zaken zijn dus met elkaar verknocht aangezien zij zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken geboden is.
Daarnaast is niet gebleken dat om proceseconomische redenen voeging van beide zaken onwenselijk is. Van een onnodige of onredelijke vertraging is geen sprake; in beide zaken dient een memorie van antwoord te worden genomen.
3.6.
Het hof zal de vordering tot voeging derhalve toewijzen. De beslissing over de proceskosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
3.7.
Ter weerlegging van het tegen de voeging door [geïntimeerden] gegeven argument en ter voorlichting van partijen voegt het hof hieraan toe dat de vorderingen, ondanks de (formele) voeging, hun zelfstandigheid behouden (HR 21 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2500). Door voeging wordt de partij in de ene zaak niet automatisch partij in de andere zaken (HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2904) voor zover dat nog niet het geval is. Een en ander betekent dat de verschillende procespartijen door middel van vermelding van de zaaknummers steeds duidelijk moeten maken waarop hun memories en/of akten betrekking hebben.
In de hoofdzaak
3.8.
De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident:
beveelt de voeging van de onderhavige zaak met de bij dit hof aanhangige zaak met zaaknummer 200.239.803/01;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 2 oktober 2018 voor memorie van antwoord;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 september 2018.
griffier rolraadsheer