In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om een informatiebeschikking van de Inspecteur gericht op het verkrijgen van gegevens over de woonplaats en het wereldinkomen van belanghebbende over de jaren 2004 tot en met 2014. De Rechtbank had de informatiebeschikking deels herzien en een termijn gesteld voor het verstrekken van de gevraagde informatie.
Belanghebbenden zijn tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan en de Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het stellen van een termijn. Het Hof heeft de feiten beoordeeld, waaronder het verblijf van erflater in Nederland en het bezit van onroerende zaken en vennootschappen, en oordeelde dat de Inspecteur zich op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens van belang konden zijn voor de belastingheffing.
Het Hof verwierp het verweer van belanghebbenden dat de informatieverzoeken onnodig of een fishing expedition zouden zijn. Ook oordeelde het Hof dat het stellen van een termijn door de Rechtbank niet leidt tot kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Het hoger beroep en het incidentele hoger beroep werden ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Belanghebbenden krijgen een termijn van drie maanden om aan de informatieverzoeken te voldoen.