In deze arbeidsrechtelijke procedure stond de vraag centraal of verweerder aanspraak had op een eindejaarsuitkering over 2015. Appellante stelde dat de winst van de fiscale eenheid onvoldoende was en dat verweerder daardoor geen recht had op de uitkering. Ter onderbouwing overlegde zij een accountantsrapport en een collectieve loonstaat.
Verweerder betwistte de controleerbaarheid van de stukken en stelde dat appellante haar stelplicht niet had voldaan. Ook stelde hij dat sprake was van schending van goed werkgeverschap door winstmanipulatie. Het hof oordeelde dat het rapport onvoldoende inzicht gaf en dat appellante geen jaarstukken had overgelegd, waardoor verweerder niet kon vaststellen of hij aanspraak had op de uitkering.
Het hof verwierp het verweer van appellante en bekrachtigde de beschikking van de kantonrechter tot betaling van de eindejaarsuitkering en wettelijke rente. Tevens veroordeelde het hof appellante in de proceskosten van het hoger beroep. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken op 4 april 2019.