Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, mede-eigenaar van een melkveehouderij, betwistte dat diverse bouwwerken zoals een mestsilo, strooiselhok, erfverharding en plaat/sleufsilo’s aanhorigheden zijn in de zin van artikel 3.30a, lid 2, Wet IB 2001. De Inspecteur stelde dat deze bouwwerken behoren bij, in gebruik zijn bij en dienstbaar zijn aan de bedrijfsgebouwen, en dus als aanhorigheden kwalificeren.
Het Hof overwoog dat het begrip aanhorigheden ruimer moet worden uitgelegd dan belanghebbende bepleitte. De bouwwerken kunnen niet los worden gezien van het bedrijfsproces van de melkveehouderij. De mestsilo is via leidingen verbonden met de mestputten onder de stallen, en de erfverharding dient als toegangsweg binnen het bedrijf. Dit gebruik maakt dat deze bouwwerken dienstbaar zijn aan de bedrijfsgebouwen.
De jurisprudentie en parlementaire geschiedenis ondersteunen een ruimere uitleg van aanhorigheden dan het enge criterium van 'onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar'. Het Hof concludeerde dat alle genoemde bouwwerken als aanhorigheden moeten worden beschouwd, waardoor de afschrijving beperkt is tot de bodemwaarde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd dat de bouwwerken aanhorigheden zijn volgens artikel 3.30a Wet IB 2001.