Appellanten kochten in 2011 een woning tegenover een psychiatrisch ziekenhuis waar al verslavingszorg werd verleend. Na aankoop werd op het terrein een medische heroïne unit (MHU) gevestigd, waarvan appellanten stellen dat zij hierover niet waren geïnformeerd en dat dit tot meer overlast zou leiden.
Zij vorderden gedeeltelijke ontbinding of prijsvermindering wegens dwaling en schadevergoeding. De rechtbank wees deze vorderingen af, omdat geen sprake was van schending van de mededelingsplicht en geen toename van overlast was vastgesteld.
In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het hof stelde dat appellanten ten tijde van aankoop op de hoogte waren van de reeds bestaande verslavingszorg en dat de komst van de MHU geen wezenlijke toename van overlast opleverde. Ook was de komst van de MHU op dat moment onzeker en behoorde de mogelijke toekomstige situatie voor rekening van appellanten te blijven.
Het hof verwierp het beroep op dwaling en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Appellanten werden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.