Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellante 1] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5654741 / 17-362)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, met zes producties (genummerd 1 tot en met 6);
- de memorie van antwoord met twee producties (genummerd 7 en 8).
3.De beoordeling
- Bij huurovereenkomst van 16 juni 2015 heeft [geïntimeerde] aan [appellante 1] en [appellant 2] met ingang van 23 juni 2015 de woning aan de [adres] te [plaats] verhuurd. In artikel 3.1 van de huurovereenkomst staat dat de huurprijs bij aanvang van de huur € 650,-- per maand bedraagt. Tussen partijen staat echter vast dat de huur € 700,-- per maand bedraagt.
- Artikel 5.1 van de huurovereenkomst luidt als volgt:
- Bij brief van 29 maart 2016 hebben [appellante 1] en [appellant 2] [geïntimeerde] in gebreke gesteld wegens de aanwezigheid van een aantal gebreken aan het gehuurde. Volgens de brief hebben zij [geïntimeerde] al ‘maanden geleden’ op de hoogte gebracht van die gebreken en heeft [geïntimeerde] de gebreken nog niet verholpen.
- [appellante 1] en [appellant 2] hebben een brief in het geding gebracht van [voorzitter van de VvE] , voorzitter van de vereniging van eigenaren van het pand waar het gehuurde onderdeel van uitmaakt. Ook in deze brief zijn een aantal ernstige gebreken aan het gehuurde opgesomd.
- Bij brief van 16 juni 2016 heeft de advocaat van [appellante 1] en [appellant 2] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende medegedeeld:
- [appellante 1] en [appellant 2] hebben [geïntimeerde] bij dagvaarding van 25 augustus 2016 in kort geding betrokken. In dat kort geding vorderden zij veroordeling van [geïntimeerde] tot vervanging van verrotte kozijnen aan de woning en vervanging van de gebroken voordeurruit op straffe van een dwangsom. [geïntimeerde] heeft in dat kort geding verweer gevoerd. De kantonrechter heeft, rechtdoende als voorzieningenrechter, [geïntimeerde] bij vonnis in kort geding van 28 september 2016 veroordeeld tot het verrichten van deugdelijk herstel van de kozijnen aan de buitenkant van de woning, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
- Op verzoek van [appellante 1] en [appellant 2] heeft ing. [de inspecteur] van Wooninspectie Zeeland de woning op vrijdag 7 oktober 2016 geïnspecteerd. In het door hem naar aanleiding van deze inspectie opgestelde rapport heeft [de inspecteur] enkele gebreken opgesomd, hertsteladviezen gegeven en herstelkosten begroot.
- De huurovereenkomst is op 12 juli 2017 geëindigd. [appellante 1] en [appellant 2] zijn in hoger beroep immers niet opgekomen tegen de beslissing tot ontbinding van de huurovereenkomst;
- [appellante 1] en [appellant 2] wonen inmiddels in een andere woning. Zij hebben het gehuurde medio 2017 verlaten (volgens blz. 4 van de memorie van grieven eind juni 2017, volgens punt 8 van de memorie van antwoord in juli 2017). Nu [geïntimeerde] niet heeft betwist dat [appellante 1] en [appellant 2] de woning op de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst (12 juli 2017) al hadden verlaten, zal het hof dat verder tot uitgangspunt nemen.
- veroordeling van [geïntimeerde] om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de riolering in de kruipruimte van de woning te herstellen en binnen één maand na betekening van het vonnis het voegwerk te herstellen, het buitenschilderwerk uit te voeren, de badkamer te renoveren en de ventilatievoorzieningen van de natte groepen te verbeteren;
- veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde] niet aan voornoemde veroordeling voldoet;
- veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 545,-- ter zake materiële schade;
- veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 7.700,-- ter zake immateriële schade;
- ontbinding van de huurovereenkomst;
- veroordeling van [appellante 1] en [appellant 2] tot ontruiming van het gehuurde;
- veroordeling van [appellante 1] en [appellant 2] tot betaling van € 8.929,99 (bestaande uit een bedrag van € 9.275,-- wegens onbetaalde huurpenningen, een bedrag van € 230,-- wegens buitengerechtelijke incassokosten, verminderd met een bedrag van € 575,01 wegens verrekening van de proceskosten van de procedure in kort geding), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van iedere huurtermijn;
- veroordeling van [appellante 1] en [appellant 2] tot betaling van € 700,-- voor elke maand of gedeelte daarvan over de periode vanaf 1 april 2017 tot de dag van de ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van iedere huurtermijn;
- De mate waarin [appellante 1] en [appellant 2] de betaling van huur hebben opgeschort, is disproportioneel. Ter zitting is bovendien gebleken dat [appellante 1] en [appellant 2] de opgeschorte huur niet alsnog kunnen voldoen omdat zij dit bedrag niet hebben gereserveerd. Een beroep op opschorting bevrijdt echter niet van de betalingsverplichtingen. Het ter zake huurachterstand in reconventie gevorderde bedrag van € 8.699,99 is daarom toewijsbaar, evenals de daarover gevorderde wettelijke rente (rov. 3.1).
- De tekortkoming van [appellante 1] en [appellant 2] in de nakoming van hun huurbetalingsverplichtingen rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Over de periode tussen de ontbinding en de ontruiming moeten [appellante 1] en [appellant 2] aan [geïntimeerde] een schadevergoeding voldoen gelijk aan de huur (rov. 3.2).
- De vordering van [geïntimeerde] in reconventie ter zake buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar (rov. 3.3).
- Omdat de huurovereenkomst door ontbinding wordt beëindigd, hebben [appellante 1] en [appellant 2] geen belang meer bij hun vordering tot herstel van gestelde gebreken aan het gehuurde. Die vordering in conventie moet dus worden afgewezen (rov. 3.4 eerste deel).
- De vorderingen van [appellante 1] en [appellant 2] in conventie ter zake materiële en immateriële schadevergoeding moeten eveneens worden afgewezen omdat die vorderingen onvoldoende onderbouwd zijn (rov. 3.4 tweede deel).
- [appellante 1] en [appellant 2] veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 8.699,99 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vervaldata van de huurtermijnen;
- de huurovereenkomst ontbonden;
- [appellante 1] en [appellant 2] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde;
- [appellante 1] en [appellant 2] veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 700,-- te betalen voor iedere maand of gedeelte van een maand vanaf 1 april 2017 tot aan de dag van de ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van elke maandtermijn.
- a. [appellante 1] en [appellant 2] hadden op de voet van de artikelen 7:257 lid 1 in verband met artikel 7:207 BW Pro bij de rechter een vermindering van de huurprijs kunnen vorderen (eventueel bij wege van verweer);
- b. [appellante 1] en [appellant 2] hadden op de voet van de artikelen 7:257 lid 2 in verband met 7:241 BW de huurcommissie kunnen verzoeken een uitspraak te doen over de vermindering van de huurprijs wegens de aanwezige gebreken.
- A. € 375,-- ter zake de kosten van de door Wooninspectie Zeeland op 7 oktober 2016 uitgevoerde bouwtechnische keuring;
- B. € 170,-- ter zake een op zondag 20 november 2016 door de firma [firma] aangebrachte noodvoorziening.