In deze zaak stond de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een werknemer centraal die sinds december 2017 arbeidsongeschikt was. De werkgever had de arbeidsovereenkomst ontbonden op grond van bedrijfseconomische omstandigheden, waarbij het UWV de tweede ontslagvergunning had geweigerd vanwege het opzegverbod tijdens ziekte. De kantonrechter ontbond desalniettemin de arbeidsovereenkomst, waarbij de werkgever zich beriep op een uitzondering op het opzegverbod wegens beëindiging van werkzaamheden van een onderneming.
Het hof oordeelde dat er geen sprake was van beëindiging van een zelfstandige onderneming, omdat de activiteiten van het samenwerkingsverband organisatorisch en feitelijk niet gescheiden waren van de overige bedrijfsactiviteiten van de werkgever. De werknemer verrichtte ook werkzaamheden buiten het samenwerkingsverband en de materiële activa werden voor alle activiteiten ingezet. Hierdoor was het opzegverbod tijdens ziekte van toepassing en was de ontbinding onterecht.
Het hof vernietigde de ontbindingsbeschikking en herstelde de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 december 2018, onder dezelfde voorwaarden en functie. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het achterstallig salaris, vakantietoeslag en emolumenten vanaf die datum, vermeerderd met wettelijke rente. De transitievergoeding en proceskostenveroordeling aan het adres van de werknemer werden vernietigd. Tevens werd de werkgever veroordeeld in de proceskosten van eerste aanleg en hoger beroep.