Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende exploiteert een eenmanszaak die stalen magneetsieraden verkoopt en ontvangt daarnaast provisies van distribiteurs. Over de jaren 2011 tot en met 2017 heeft zij telkens een negatieve winst uit onderneming aangegeven. Voor het jaar 2014 heeft zij een IVA-uitkering ontvangen en een aangifte gedaan met een negatief belastbaar inkomen uit werk en woning.
De Inspecteur stelde dat de activiteiten van belanghebbende geen bron van inkomen vormden en stelde de aanslag vast op basis van de IVA-uitkering. Belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep bij de Rechtbank, die haar beroep ongegrond verklaarde. Het hoger beroep bij het Hof richtte zich op de vraag of sprake was van een objectieve voordeelsverwachting, een vereiste voor het bestaan van een bron van inkomen.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zij redelijkerwijs voordeel kon verwachten uit haar onderneming, mede gelet op de structurele verliezen en gezondheidsbelemmeringen. Ook werd geoordeeld dat de IVA-uitkering geen onderdeel vormt van de winst uit onderneming. De Inspecteur had binnen de wettelijke termijn gehandeld door de aanslag vast te stellen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.