Belanghebbende, woonachtig in België en werkzaam voor een Nederlandse concernvennootschap, voerde zijn Belgische pensioenregeling voort terwijl hij deels in Nederland werkte. De Inspecteur had de pensioenregeling slechts voor vijf jaar als zuivere pensioenregeling aangewezen, waardoor de aanspraak op het werkgeversdeel pensioenpremies tot het loon werd gerekend.
Belanghebbende stelde dat op grond van het belastingverdrag Nederland-België en het gelijkheidsbeginsel de pensioenregeling voor tien jaar als zuiver moest worden aangemerkt, en dat de aanspraak niet tot het loon behoorde te worden gerekend. Het hof oordeelde dat de regeling slechts voor vijf jaar als zuiver kan worden aangemerkt, conform het beleid en het belastingverdrag.
Het hof stelde echter vast dat de Inspecteur in vergelijkbare gevallen van grensarbeiders een gunstiger fiscale behandeling toepast, wat leidt tot ongelijke behandeling. Dit beleid werd door het hof in strijd met het gelijkheidsbeginsel geoordeeld.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot het door belanghebbende opgegeven belastbaar inkomen, en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten.