AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling toepassing Belgische pensioenregeling in Nederlandse loonbelasting
Belanghebbende, woonachtig in België en sinds 2007 werkzaam in Nederland voor een concern, zet zijn Belgische pensioenregeling voort die de mogelijkheid van afkoop kent. De Inspecteur heeft deze regeling vijf jaar als zuivere pensioenregeling aangemerkt, waarna de werkgever de omkeerregel niet toepaste. Het Hof ’s-Hertogenbosch gaf belanghebbende gelijk en oordeelde dat de omkeerregel wel toegepast moet worden vanwege het gelijkheidsbeginsel, omdat grensarbeiders die in Nederland wonen en in België werken fiscaal gunstiger worden behandeld.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het Hof en voerde aan dat het Hof ten onrechte het gelijkheidsbeginsel toepaste, omdat artikel 1.7, lid 2, onderdeel c, Wet IB 2001, buitenlandse pensioenregelingen onder voorwaarden erkent, maar deze regeling niet van toepassing is op de loonbelasting. De Hoge Raad overwoog dat de loonbelasting en inkomstenbelasting separaat zijn geregeld en dat het gelijkheidsbeginsel hier niet leidt tot een andere uitkomst.
Belanghebbendes incidentele beroep faalde eveneens, onder meer omdat het afkoopverbod niet in strijd is met het EU-recht en dat dispariteiten tussen lidstaten kunnen voorkomen in niet-geharmoniseerde belastingregelingen. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de Minister gegrond en het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Minister gegrond en het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond, waardoor de omkeerregel niet wordt toegepast op de Belgische pensioenregeling.
Voetnoten
1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant.
3.Gerechtshof ’s Hertogenbosch.
5.De Staatssecretaris van Financiën.
6.De Minister van Financiën.
7.Nieuwsbericht van het Ministerie van Financiën van 18 december 2019. Te raadplegen via: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2019/12/18/staatssecretaris-van-financien-drs.-m.-snel-biedt-ontslag-aan.
8.Terzijde wijs ik op HR 13 juli 2018, nr. 17/03242, ECLI:NL:HR:2018:1219, inzake de vraag wanneer een buitenlands pensioen kwalificeert in de zin van de Wet Verevening pensioenrechten bij echtscheiding; zie A.H.H. Bollen-Vandenboorn, in: ‘Pensioen en de belangrijkste toekomstvoorzieningen’, Den Haag 2019, blz. 339 - 340. 9.M.v.T., artikelsgewijs deel, geciteerd uit
10.Art. 3.81 Wet IB 2001.
11.Behoudens een thans niet van belang zijnde uitzondering.
12.Zie onderdeel 2.4.
13.Richtlijn 98/49/EG van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de gemeenschap verplaatsen.
14.Zie r.o. 4.9 uit de uitspraak van het Hof.
15.Zie beroepschrift in cassatie, blz. 3.
16.Voor de premies door toepassing van art. 3.81 Wet IB 2001 en voor de uitkeringen door toepassing van art. 3.82, aanhef en onderdeel b, Wet IB 2001.
17.M.E. Kastelein, ‘Geactualiseerd besluit over internationale aspecten van pensioenen en loonstamrechten’,
18.De annotatoren zijn hierover verdeeld. G. Staats is het eens met het Hof (
19.Dat wil zeggen nu het pensioen de voortzetting is van een pensioen dat reeds was verzekerd bij die verzekeraar toen de werknemer niet in Nederland een dienstbetrekking vervulde. Dit is het verschil met onderdeel d van het artikellid, waarover wél kritische opmerkingen zijn gemaakt; zie D.S. Smit, J.A.R. van Eijsden en B.J. Kiekebeld, ‘Nederlands belastingrecht in Europees perspectief’, derde druk, Deventer 2018, blz. 119-120.
20.Zie dienaangaande B. Dieleman en H.M. van Engelshoven, in: A.H.H. Bollen-Vandenboorn, a.w., blz. 451-453.
21.Verg. J.J.A.M. Korving, ‘Europees belastingrecht’, Den Haag 2011, blz. 135 e.v., en ‘Internal Market Neutrality’ (dissertatie), Den Haag 2019, blz. 91-92; B.J.M. Terra en P.J. Wattel, European Tax Law, Fed Fiscale Studieserie nr. 29, Deventer 2018, blz. 79- 80.
22.Het besluit is geactualiseerd in Besluit van 9 oktober 2015, nr. DGB2015/7010M,
23.Verg. art. 7, lid 1 en 2, EEG-Verordening nr. 1612/68 van 15 oktober 1968 van de Raad van de Europese Gemeenschappen zoals gecodificeerd in Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011: ‘Een werknemer die onderdaan is van een lidstaat, geniet op het grondgebied van andere lidstaten dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.’
24.Zie in het kader van de “coulance-periode” de onderdelen 4.2-4.7 van het de uitspraak van het Hof.
25.HvJ EU 24 februari 2015, C-512/13 (Sopora),
26.Zie over het verschil tussen het D- en het Sopora-arrest N.P. Schipper, ‘De invloed van de woonplaats op de fiscale behandeling van grensoverschrijdende werknemers’ (dissertatie), Deventer 2019, blz. 200 e.v.
27.In eerdere arresten kwam dit al naar voren. Zie I.M. de Groot, ‘EU-recht schept verplichting voor lidstaten tot unilaterale meestbegunstiging’,
28.Verg. Korving, t.a.p.
29.Zie dienaangaande I.M. de Groot, t.a.p.
30.O.a. HvJ EG 12 mei 1998, nr. C-336/96 (Gilly), Jur. Blz. I-2793; HvJ EG 5 juli 2005, nr. C-376/03 (D),