Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geschil
BNB2008/119, aangewezen als zogenoemde ‘zuivere pensioenregeling’.
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende, woonachtig in België en sinds 2007 werkzaam in Nederland voor een concern, zet zijn Belgische pensioenregeling voort die de mogelijkheid van afkoop kent. De Inspecteur heeft deze regeling vijf jaar als zuivere pensioenregeling aangemerkt, waarna de werkgever de omkeerregel niet toepaste. Het Hof ’s-Hertogenbosch gaf belanghebbende gelijk en oordeelde dat de omkeerregel wel toegepast moet worden vanwege het gelijkheidsbeginsel, omdat grensarbeiders die in Nederland wonen en in België werken fiscaal gunstiger worden behandeld.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het Hof en voerde aan dat het Hof ten onrechte het gelijkheidsbeginsel toepaste, omdat artikel 1.7, lid 2, onderdeel c, Wet IB 2001, buitenlandse pensioenregelingen onder voorwaarden erkent, maar deze regeling niet van toepassing is op de loonbelasting. De Hoge Raad overwoog dat de loonbelasting en inkomstenbelasting separaat zijn geregeld en dat het gelijkheidsbeginsel hier niet leidt tot een andere uitkomst.
Belanghebbendes incidentele beroep faalde eveneens, onder meer omdat het afkoopverbod niet in strijd is met het EU-recht en dat dispariteiten tussen lidstaten kunnen voorkomen in niet-geharmoniseerde belastingregelingen. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de Minister gegrond en het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Minister gegrond en het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond, waardoor de omkeerregel niet wordt toegepast op de Belgische pensioenregeling.