ECLI:NL:GHSHE:2019:3102
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen overeenkomst tot grondruil bij afgebroken onderhandelingen over landgoedontwikkeling
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of tussen een vennootschap en twee eigenaren van aangrenzende percelen een overeenkomst tot grondruil was gesloten. De vennootschap wenste een landgoed te realiseren en stelde een grondruil voor om de percelen aaneengesloten te maken. De makelaar van de vennootschap voerde gesprekken met een van de eigenaren, waarbij volgens de vennootschap mondeling overeenstemming zou zijn bereikt.
De rechtbank had de vordering tot verklaring voor recht dat er een overeenkomst was gesloten afgewezen, omdat niet was vastgesteld dat de betreffende eigenaar bevoegd was de grond te vervreemden zonder toestemming van zijn mede-eigenaar. In hoger beroep werd de vraag naar het bestaan van de overeenkomst opnieuw beoordeeld. Het hof concludeerde dat de makelaar slechts als bemiddelaar optrad en dat geen bewijs was geleverd dat de eigenaar het aanbod daadwerkelijk had aanvaard tijdens het gesprek.
Daarnaast oordeelde het hof dat de vennootschap onvoldoende concrete feiten had gesteld om aannemelijk te maken dat er een bindende overeenkomst was gesloten. Ook de subsidiaire vordering tot voortzetting van de onderhandelingen werd afgewezen, omdat partijen vrij waren de onderhandelingen af te breken. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de vennootschap in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof verwierp het hoger beroep en bevestigde dat geen bindende grondruilovereenkomst tot stand is gekomen.