Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
8.Het verloop van de procedure
- De arresten van 16 februari 2016 (hierna: het tussenarrest) en 15 november 2016;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor op 13 februari 2017;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 juli 2017;
- het proces-verbaal van de contra-enquête van 10 november 2017;
- de memorie na getuigenverhoren tevens akte houdende reactie op productie van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ;
- de antwoordmemorie na enquetes tevens akte tot in het geding brengen van een productie van [appellante] ;
- de pleitnotities van de advocaten van partijen voor de pleitzitting op 10 juli 2019.
9. De verdere beoordeling in principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
ons huis echt verkocht (moet) worden voor wij de [adres 2] zouden kunnen afnemen” en dat [de echtgenoot van appellante] heeft gezegd dat hij dit accepteerde ( [geïntimeerde 2] : “
[de echtgenoot van appellante] zei dat begrijp ik”, [geïntimeerde 1] : “
[de echtgenoot van appellante] zei daar kunnen wij mee meegaan”). De verklaringen van de overige bij de bijeenkomst aanwezige getuigen weerspreken echter dat [de echtgenoot van appellante] zich in deze zin heeft uitgelaten ( [getuige 2] : “
[de echtgenoot van appellante] sr. heeft daarvoor een oplossing proberen te vinden”, [de echtgenoot van appellante] : “
Ook is van hun kant gezegd: wij zitten nog met ons eigen huis. De aanvankelijke overdracht was 1 april. Om hen tegemoet te komen is in verband met het feit dat zij hun huis zouden kunnen verkopen, 1 april verlegd naar 1 augustus als definitieve afnamedatum”, [appellante] als getuige bij de rechtbank:
“er is niet gesproken over een afspraak dat [geïntimeerde 1] eerst de eigen woning moest verkopen voordat zij onze woning zouden kopen”). Het hof waardeert dit bewijs aldus dat hierdoor niet is komen vast te staan dat [de echtgenoot van appellante] tijdens de bijeenkomst op 16 november 2010 met zoveel woorden de wens van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] dat een opschortende voorwaarde in de door hen bedoelde zin in de koopovereenkomst zou worden opgenomen, heeft geaccepteerd. De getuige [de zoon van geintimeerden] , die in 2010 ongeveer 12 jaar oud was, heeft verklaard dat hij op 16 november 2010, na de bijeenkomst, in de woning aanwezig was en dat [geïntimeerde 1] toen tegen hem, in aanwezigheid van [de echtgenoot van appellante] , heeft gezegd dat zij eerst nog in hun eigen huis zouden blijven wonen totdat dat verkocht was en als dat huis 1 augustus 2011 nog niet verkocht was, er gepraat zou moeten worden. Over de reactie van [de echtgenoot van appellante] heeft [de zoon van geintimeerden] verklaard: ‘
Ik weet niet meer precies wat [de echtgenoot van appellante] zei, maar die zat erbij toen mijn vader dit vertelde. [de echtgenoot van appellante] stemde toe, hij knikte ja’. Ook dit is tegenover de andersluidende verklaring van [de echtgenoot van appellante] naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan. Bovendien bevat de verklaring van [de zoon van geintimeerden] te weinig context om de conclusie te rechtvaardigen dat het door hem geziene knikken van [de echtgenoot van appellante] redelijkerwijs door [geïntimeerde 1] mocht worden opgevat als een bevestiging van de opschortende voorwaarde.
wij wilden in eerste instantie de koopakte niet tekenen omdat wij eerst ons huis wilde verkopen. Mevrouw [getuige 1] heeft ons uitgelegd, dat staat in art. 3.1., 1 augustus of zoveel eerder of zoveel later’ en [geïntimeerde 2] : ‘
Er is ook met mevrouw [getuige 1] onderhandeld over (….) art. 3.1. zoveel eerder, zoveel later’ tegenover [getuige 1] ‘
Er is niets specifiek besproken over de datum 1 augustus 2011, 1 augustus 2011 zou er geleverd worden en dat heb ik voorgelezen. Er is die dag helemaal niet over de verkoop van de [adres 1] gesproken’. Tegenover de andersluidende verklaring van [getuige 1] is door de verklaringen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , die partij-getuigen zijn, niet komen vast te staan dat [getuige 1] op 22 november 2010 de uitleg van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] van artikel 3.1. van de koopovereenkomst, dat de woorden “of zoveel eerder of later” de door hen gestelde opschortende voorwaarde behelzen, uitdrukkelijk heeft bevestigd.
Mijn zoon zei ik wil eerst de [adres 1] verkopen en dan dit huis kopen. [de echtgenoot van appellante] zei ja dat is de afspraak, eerst de [adres 1] verkopen’) is weersproken door [de echtgenoot van appellante] . Tegenover deze andersluidende verklaring is niet komen vast te staan dat [de echtgenoot van appellante] zich toen in de door [de moeder van geintimeerde 1] bedoelde zin heeft uitgelaten. Bovendien geldt ten aanzien van de verklaring van [de moeder van geintimeerde 1] over de uitlatingen van [de echtgenoot van appellante] , volgens de getuige gedaan na het tekenen van de koopovereenkomst, dat deze te weinig context bevat om de conclusie te rechtvaardigen dat de door haar gehoorde woorden van [appellante] redelijkerwijs door [geïntimeerde 1] mochten worden opgevat als een bevestiging van de opschortende voorwaarde, zo nodig in afwijking van het eerder overeengekomene.
definitieve overdrachtsdatum’, maar uit hun verklaringen blijkt dat deze kwalificatie berust op hun eigen appreciatie van de gang van zaken en niet op wat met zoveel woorden is gezegd. De verklaring van [getuige 2] dat ‘
over eventuele verdere uitloop niets meer (is) afgesproken’ bevestigt dit.