Conclusie
Nummer 20/02603
Inleiding en samenvatting
Alfa heeft op grond van de factoringovereenkomst aan [A] voorschotten uitgekeerd op diverse facturen van [A] aan debiteuren.
€66.601,24 waarvoor de aan haar verpande debiteurenportefeuille geen verhaal biedt. Zij verzoekt [eiser] de borgsom van € 50.000,- te betalen en zegt verschuldigdheid aan van wettelijke rente en € 1.275,- buitengerechtelijke kosten indien niet uiterlijk op 5 mei 2017 is betaald.
productie 8).
productie 6ingebracht.
productie 9).
productie 10).
productie 11).
productie 12).
door Alfavanaf januari 2015 gestarte onderzoek naar de door [betrokkene 1] gepleegde fraude en een mogelijke andere financiële afwikkeling van de kwestie maakte
welonderdeel uit van de tussen partijen gemaakte afspraak dat gedurende dat onderzoek invordering van de borgtocht achterwege zou blijven en aldus de vordering van Alfa nog niet opeisbaar zou zijn. Het
door Bureau Economische Handhavinggestarte onderzoek in september 2016, dus lang nadat partijen de gemaakte afspraak met betrekking tot het tijdstip van de invordering hadden gemaakt, maakt
geenonderdeel uit van de tussen partijen gemaakte afspraken. Chronologisch bezien kan het in september 2016 door Bureau Economische Handhaving gestarte onderzoek ook geen onderdeel hebben uitgemaakt van de afspraken die partijen ruim anderhalf jaar daarvoor, in januari 2015, met elkaar hebben gemaakt.
door Alfa zelf. Ter comparitie heeft [eiser] verklaard dat zulks correct is (zie proces-verbaal van comparitie, verklaring [eiser] vierde alinea). Hetgeen weergegeven in de vierde alinea van de verklaring van [eiser] afgelegd ter comparitie ziet op hetgeen besproken op 28 januari 2015 en ziet derhalve op het door Alfa gevoerde onderzoek.
“Dit onderzoek loopt echter nog en de uitkomsten zijn nog niet bekend”,heeft betrekking op het onderzoek uitgevoerd door Bureau Economische Handhaving en niet op het door Alfa zelfstandig uitgevoerde onderzoek, wat inmiddels al vruchteloos was afgerond. Het is wel dat laatste onderzoek en de uitkomsten daarvan welke onderdeel van de gemaakte afspraken zijn geweest en van invloed zijn op het moment van opeisbaarheid van de vordering op [eiser] uit hoofde van zijn borgstelling.
productie 14in het geding gebracht. Hetgeen daarover ter comparitie opgemerkt is weergeven in de vijfde alinea van het proces-verbaal van comparitie. Met het daar in die alinea genoemde fraudeonderzoek wordt gerefereerd aan het door Alfa aangevoerde onderzoek. Met de onderaan pagina 2 van het proces-verbaal gemaakte opmerking:
“U vraagt mij of het fraudeonderzoek naar [betrokkene 1] nog loopt. Ik antwoord u dat dat volgens mij het geval is.”,wordt gerefereerd aan het door Bureau Economische Handhaving gevoerde onderzoek. Dat liep ten tijde van de zitting nog, maar maakt, het zij herhaalt, geen onderdeel uit van de tussen partijen gemaakte afspraken. Zoals aangegeven is het door Bureau Economische Handhaving uitgevoerde onderzoek inmiddels afgerond (zie e-mailbericht van 9 januari 2018 van het Bureau Economische Handhaving).
4. Wat is het oordeel van het hof?
voorlopigachterwege blijven. Uit de weergave van de verklaring van [eiser] in het proces-verbaal volgt niet dat Alfa heeft toegezegd dat invordering achterwege zou blijven na het onderzoek, ongeacht de uitkomst daarvan. Voor die uitleg van de afspraak ontbreekt een basis.
Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1bestrijdt het oordeel in rov. 4.5-4.6 dat het beroep van [eiser] op afronding van het fraudeonderzoek door het Bureau Economische Handhaving een beroep op een nadere afspraak behelst met de strekking dat partijen een opschortende voorwaarde zijn overeengekomen die verder strekt dan de niet betwiste voorwaarden. Die verdergaande voorwaarde blokkeert volgens [eiser] Alfa’s claim tot betaling van de borgsom. Daarmee is sprake van een bevrijdend verweer, waarvoor [eiser] de stelplicht en bewijslast heeft.
Onderdeel 2keert zich tegen het (impliciete) oordeel in rov. 4.4-4.7 over de inhoud van de niet betwiste voorwaarden en de vervulling daarvan.
Onderdeel 3komt op tegen het oordeel in rov. 4.15-4.16 over de ingangsdatum van de wettelijke rente, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
Onderdeel 4bevat een voortbouwende klacht.
esteldefeiten of rechten die aan een bepaald rechtsgevolg ten grondslag wordt gelegd [15] . Aan de bewijslast gaat de stelplicht vooraf [16] . Partijen hebben stelplicht voor de feiten die leiden tot het door elk van hen ingeroepen rechtsgevolg (art. 24 en Pro 149 Rv): de eiser voor het rechtsgevolg waarop hij zijn vordering baseert en de verweerder voor het zelfstandig rechtsgevolg dat hij aan zijn bevrijdend verweer ten grondslag legt [17] (zie voor het begrip bevrijdend verweer hierna nader in 3.9). Wat de (omvang van de) stelplicht in een concreet geval inhoudt, moet worden afgeleid uit de toepasselijke (geschreven of ongeschreven) regel van materieel recht [18] . Zo zal de partij die schadevergoeding vordert van zijn wederpartij wegens een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de elementen genoemd in art. 6:74 BW Pro moeten stellen (en zo nodig bewijzen): het bestaan en de inhoud van de verbintenis, de tekortkoming in de nakoming van de verbintenis, de schade, het causaal verband tussen de tekortkoming en de schade en dat nakoming blijvend onmogelijk is of dat de schuldeiser in verzuim is. De toerekenbaarheid hoeft niet te worden gesteld zoals volgt uit de tenzij-clausule in het eerste lid: het is aan de schuldenaar om te stellen (en zo nodig te bewijzen) dat de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend [19] . Als een voor toepassing van de rechtsregel essentieel feit niet wordt gesteld, dan zal de rechter de vordering niet kunnen toewijzen of het bevrijdend verweer niet kunnen honoreren. De aangevoerde feiten zijn dan onvoldoende om het beoogde rechtsgevolg te laten intreden [20] . Voldoet een partij niet aan haar stelplicht, dan is voor bewijslevering geen plaats [21] .
gestelden vervolgens ook in voldoende mate door de wederpartij zijn
betwist. Het is dan aan eerstgenoemde partij om de door haar gestelde feiten waaraan een rechtsgevolg is verbonden, te bewijzen. Zij zal deze feiten moeten bewijzen om het rechtsgevolg dat zij inroept te laten intreden en draagt het bewijsrisico wanneer zij daarin niet slaagt. Wanneer de partij op wie de bewijslast rust niet slaagt in dat bewijs, dan komen de door die partij gestelde feiten niet vast te staan, zodat de vordering of het bevrijdend verweer moet worden afgewezen respectievelijk verworpen [24] .
nee, want-verweer” genoemd), of is het een bevrijdend verweer (ook wel een zelfstandig verweer of “een
ja, maar-verweer” genoemd) [25] .
een bevrijdendeomstandigheid beroept [26] . Kenmerkend voor een bevrijdend verweer is dat het uitgaat van de door eiser aan zijn vorderingen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden die normaal gesproken zouden leiden tot het door eiser ingeroepen rechtsgevolg, maar er vervolgens een beroep wordt gedaan op feiten met rechtsgevolgen (een bevrijdende omstandigheid) die de toewijzing van de vordering blokkeren, zodat de rechtsgrond waarop eiser zijn vordering baseert, in dit geval niet opgaat [27] :
jahet klopt dat de door eiser gestelde feiten zich hebben voorgedaan,
maarde volgende omstandigheden blokkeren het door eiser ingeroepen rechtsgevolg Bijvoorbeeld een beroep op verjaring is een bevrijdend verweer.
opschortendevoorwaarde is de volgende rechtspraak van Uw Raad en de commentaren daarop van belang.
Probis/ […]) [33] betrof de verkoop van aandelen door […] aan Probis. In de koopakte stond een bepaling die Probis de verplichting oplegde om […] uit door hem ten behoeve van de verkochte vennootschap gestelde aansprakelijkheid of borgstelling te ontslaan ”zodra zulks mogelijk is”. Omdat Probis niet aan die verplichting had voldaan, vorderde […] schadevergoeding. Probis verweerde zich met de stelling dat zij slechts een voorwaardelijke verbintenis had tot ontslag van […] uit aansprakelijkheid en borgtocht en dat die voorwaarde niet was vervuld. […] stelde zich op het standpunt dat sprake was van een onvoorwaardelijke verbintenis.
Leugnungstheoriebeschouwen zo'n verweer als de betwisting van het fundament van de vordering. [37] De onvoorwaardelijkheid van de verbintenis (en daarmee de opeisbaarheid van de vordering) is in deze visie onderdeel van het door de schuldeiser te bewijzen feitencomplex. De schuldenaar dient de aanwezigheid van een voldoende concrete voorwaarde te stellen en de schuldeiser de onvoorwaardelijkheid van de verbintenis, dan wel de vervulling van de gestelde opschortende voorwaarde. [38]
e Einwendungstheoriemoet een beroep van de schuldenaar dat een opschortende voorwaarde is overeengekomen welke niet is vervuld, als een beroep op een bevrijdend feit worden gekwalificeerd. [39] De bewijslast ten aanzien van het bestaan en het niet-vervuld zijn van die voorwaarde rust in deze visie op de schuldenaar die daarop een beroep doet. Slaagt deze niet in dat bewijs, dan moet het ontstaan van de verbintenis worden aangenomen.
oftussen partijen een voorwaarde is overeengekomen, maar
hoedeze voorwaarde luidt. Onder deze omstandigheden heeft het hof in zijn tussenarrest terecht […] bewijs opgedragen van zijn stelling dat deze woorden (natuurlijk niet een onvoorwaardelijke verbintenis voor
om […] uit zijn aansprakelijkheid of borgstelling te ontslaan. [41]
voorwaardelijkeverbintenis. Daarmee stond tevens vast dat de vordering van […] was gebaseerd op die
voorwaardelijkeverbintenis. Bijgevolg kwam het voorwaardelijke karakter van de verbintenis te liggen binnen het feitencomplex waarvoor hij stelplicht en bewijsrisico droeg, in dier voege dat hij moest stellen en bewijzen dat de voorwaarde niet aan toewijzing van zijn vordering in de weg stond. Het gaat hier dus niet om het beroep van Probis op een zelfstandig rechtsgevolg maar om een verweer dat de kern van de grondslag van de eis aantast. Kort en goed: de eiser die zijn vordering baseert op een voorwaardelijke verbintenis heeft stelplicht en bewijsrisico ter zake van de feiten waaruit blijkt dat het voorwaardelijk karakter van de verbintenis niet aan de vordering in de weg staat. Ware het anders en zouden stelplicht en bewijsrisico voor de gedaagde zijn, dan zou, indien de inhoud van de voorwaarde niet vast zou komen te staan — een ‘non liquet’, bijvoorbeeld bij gebreke van (voldoende overtuigende) bewijsmiddelen — toewijzing van de vordering impliceren dat het voorwaardelijke karakter van de verbintenis zou zijn geëlimineerd ten gunste van de eiser, zonder dat daarvoor enige feitelijke grondslag aanwezig zou zijn.
[…] / […]) betoogde A-G Keus, mede naar aanleiding van het arrest
Probis/ […] ,het volgende over de bewijslastverdeling bij een overeenkomst onder opschortende voorwaarde:
inhoudvan de opschortende voorwaarde ligt bij degene die nakoming vordert, ligt het voor de hand dat de bewijslast ten aanzien van de
inhoudvan de ontbindende voorwaarde rust op de gedaagde, die zich op die voorwaarde beroept. Het is mijns inziens niet goed mogelijk de bewijslast ten aanzien van de vraag òf een overeenkomst voorwaardelijk is aangegaan, bij een andere partij te leggen dan de partij op wie de bewijslast ten aanzien van de inhoud van de desbetreffende voorwaarde rust. Het bestaan en de inhoud van een voorwaarde zijn niet zo strikt te scheiden. Om die reden en gelet op de hiervoor bedoelde bewijslastverdeling ten aanzien van de inhoud van de voorwaarde zou het naar mijn mening voor de hand liggen ook de bewijslast ten aanzien van
het overeengekomen zijnvan een opschortende voorwaarde bij de eisende partij en ten aanzien van
het overeengekomen zijnvan een ontbindende voorwaarde bij de gedaagde partij te leggen.
tenzijde voorwaarde in vervulling is gegaan. Het bestaan van de ontbindende voorwaarde vormt daarentegen wel de grondslag van het bevrijdende verweer (zie het arrest van 21 oktober 1988) van de schuldenaar dat de voorwaarde is vervuld. Ik meen dan ook dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan van een ontbindende voorwaarde ligt bij de partij die zich op (het vervuld zijn van) deze voorwaarde beroept.
een opschortende voorwaardesprake is [49] . Enerzijds zien de aanhangers van de
Leugnungstheoriehet verweer dat een verbintenis onder opschortende voorwaarde is aangegaan als betwisting van het fundament van de vordering, zodat de onvoorwaardelijkheid van de verbintenis (en daarmee de opeisbaarheid van de vordering) van het door de schuldeiser te bewijzen feitencomplex onderdeel is. Anderzijds zien de aanhangers van de
Einwendungstheoriehet beroep van de schuldenaar op een overeengekomen, nog niet vervulde opschortende voorwaarde als een beroep op een bevrijdend feit, waarvan de bewijslast rust op de schuldenaar die daarop een beroep doet. Volgens Bakels is ten aanzien van het beroep op de opschortende voorwaarde de Leugnungstheorie de heersende leer. Hij heeft zich in zijn conclusie ook voor deze visie uitgesproken en is daarin door de Hoge Raad gevolgd.”
NJ 2002, 494, m.nt. Asser,
Probis/ […]). Alleen in dat geval heeft de verbintenis waarvan nakoming wordt gevorderd immers werking gekregen en kan nakoming daarvan worden opgeëist. Ook dit vloeit rechtstreeks voort uit art. 150 Rv Pro.
Van der Pasch / Van der Veldeen HR 22 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6597,
NJ2011, 188,
Batavus/Race Productions). Dit is ook waar in literatuur (zie Boonekamp,
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:22 BW Pro, Pitlo/Rutgers&Krans 2014,
Bewijs, nr. 35 en 47 en de – Duitse – literatuur die A-G Bakels noemt in zijn conclusie voor
Probis/ […], ECLI:NL:PHR:2001:AB0610) en feitenrechtspraak in het algemeen vanuit wordt gegaan (zie bijv. Hof Leeuwarden 2 juni 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BI7581, Hof Den Haag 29 november 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BU6776 en Hof ’s-Hertogenbosch 17 mei 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1942). In het geval dat de gedaagde partij de opeisbaarheid van de verbintenis waarvan nakoming wordt gevorderd betwist en in het kader van die betwisting aanvoert dat sprake is van een opschortende voorwaarde, is het aan de eisende partij om te bewijzen dat de verbintenis opeisbaar is (wat er op neer zal komen dat hij zal moeten bewijzen dat sprake is van een onvoorwaardelijke verbintenis, zie Boonekamp, t.a.p. en bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 28 juli 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2888) [56] .
NJ1927, 1048), waarin op dezelfde wijze zou zijn geoordeeld. We zullen dus in dat arrest op zoek moeten naar antwoorden. De casus uit 1927 is goed vergelijkbaar, maar helaas de summiere motivering eveneens. Het hof had in die zaak beslist dat de gedaagde had nagelaten te bewijzen dat omtrent de terugbetaling bepaalde bedingen waren gemaakt en de vordering tot terugbetaling daarom toegewezen. In het cassatiemiddel werd dit bestreden met dezelfde redenering als die ik hiervoor heb weergegeven: het betoog dat sprake is van een opschortende voorwaarde is een ontkentenis (lees: betwisting) en daarvan zou de ontkenner niet de bewijslast mogen dragen. Deze redenering werd door de Hoge Raad als volgt verworpen: “dat het Hof als bewezen aannemende dat de beweerde geldleening was tot stand gekomen, daaruit terecht heeft afgeleid, dat het geleende bedrag door den leener op de vordering van den uitleener moest worden terugbetaald, nu de leener wel beweerde, maar niet te bewijzen aanbod, veel minder bewees, dat tusschen hem en den auteur der verweerders iets was overeengekomen omtrent een later tijdstip, waarop of omstandigheden en voorwaarden waaronder het geleende slechts zou kunnen worden teruggevorderd ...”. Ook deze motivering laat mij in vertwijfeling achter. Daaruit wordt immers nog altijd niet duidelijk waarom het beroep op de opschortende voorwaarde niet gewoon als een betwisting van de opeisbaarheid van de vordering moet worden aangemerkt (als in de zaak al sprake was van een opschortende voorwaarde en niet van een opschortende tijdsbepaling zoals in art. 1798 BW Pro, thans art. 7A:1798 BW bedoeld, maar dat terzijde).
Bewijslastverdeling, Deventer: Kluwer 2004, p. 64 e.v.). Soms heeft de wetgever dat heel expliciet gedaan door zinswendingen te gebruiken als “tenzij”, “behalve” of “behoudens”. Een bekend voorbeeld is art. 6:265 BW Pro (geparafraseerd): iedere tekortkoming geeft aan de wederpartij de bevoegdheid tot ontbinding,
tenzijde tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. In dit voorbeeld is het aan de schuldeiser om te stellen en te bewijzen dat sprake is van een tekortkoming. Indien hij daarin slaagt ligt de vordering tot ontbinding in beginsel voor toewijzing gereed (het normale geval). De stelplicht en de bewijslast dat zich de van het normale geval afwijkende situatie voordoet dat de ontbinding niet is gerechtvaardigd, rusten dan op de wederpartij (zie ook Bellaart,
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:265 BW Pro). Een ander mooi voorbeeld is art. 6:228 lid Pro 1, aanhef en onder c BW (wederzijdse dwaling): een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar
indiende wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan,
tenzijzij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro rusten dan op de partij die zich ter vernietiging van een overeenkomst op wederzijdse dwaling beroept de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de vereisten dat de overeenkomst is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en dat deze bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, en ook, blijkens het woordje “indien”, dat de wederpartij van dezelfde onjuiste veronderstelling is uitgegaan als de dwalende. Blijkens het woord “tenzij” in de bepaling, is het vervolgens aan de wederpartij om bij wege van verweer tegen het dwalingsberoep te stellen en bij voldoende betwisting aannemelijk te maken dat zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden (zie HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1136). In deze gevallen is heel duidelijk welke bewijslastverdeling de wetgever voor ogen stond.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 7:405 BW Pro. Deze redenering past in (oudere) jurisprudentie van de Hoge Raad waarin op een vergelijkbare manier wordt geredeneerd als Noyon deed. Ik verwijs in dit verband bijvoorbeeld naar HR 23 april 1976 (ECLI:NL:HR:1976:AC5729,
NJ1977, 47, m.nt. Stein). Let wel: er is geen algemene bewijsrechtelijke regel die zegt dat wat als normaal wordt beschouwd, vast staat en dat de degene die zich op het afwijkende beroept, dat moet bewijzen. Maar soms heeft de wetgever ter bescherming van wat hij als het normale geval ziet en ter handhaving van de daartoe geformuleerde materieelrechtelijk regel, een bijzondere regel van bewijslastverdeling bedoeld.
NJ1968, 290). Volgens Drion bestaat er een algemene ongeschreven regel van bewijslastverdeling dat degene die zich op een wilsverklaring beroept daarvan de bewijslast draagt, tenzij uit de wet duidelijk een andere bedoeling volgt. Dit is natuurlijk iets te ongenuanceerd geformuleerd. De betwisting van een door de ene partij gestelde wilsverklaring met de motivering dat in plaats daarvan een andere wilsverklaring is afgelegd, levert niet de bewijslast van het bestaan van die andere wilsverklaring op. Zo zal een partij die zich tegenover de stelling van eiser dat sprake is van een geldlening en van een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting, op het standpunt stelt dat het geld hem van meet af aan is geschonken, niet de schenking behoeven te bewijzen. Dat beroep op een schenking is dan een (motivering van de) zuivere betwisting van het ontstaan van een terugbetalingsverbintenis zodat de eiser het bestaan van de geldleningsovereenkomst en daaruit voortvloeiende terugbetalingsverbintenis zal moeten bewijzen. Drion zal ongetwijfeld bedoeld hebben dat de regel is dat degene die zich op een nadere, aanvullende wilsverklaring beroept, afwijkend van de al vaststaande verbintenis, daarvan in de regel de bewijslast heeft. En zo geformuleerd is deze regel in lijn met de rechtspraak waaruit volgt dat een partij die zich ter bevrijding van een eerdere verbintenis beroept op een nadere afspraak, daarvan de bewijslast draagt (zie bijv. HR 21 juni 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC4875,
NJ1968, 290; HR 10 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5357,
NJ2012. 483 en HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:979). Die regel is in zijn uitkomst vaak aantrekkelijk, lijkt eenvoudig hanteerbaar en voorkomt wat Drion (enigszins in een polemiek met Scheltema) in voornoemde annotatie schreef: “In gevallen als deze de bewijslastverdeling te willen halen uit de betreffende regels van het materiële recht, leidt tot een willekeurig ‘hineininterpretieren’.” En dat verwijt wil natuurlijk geen enkel rechter krijgen ... .
Probis/ […]uitgesproken en in het onderhavige arrest herhaalde oordeel dat, als het bestaan van de opschortende voorwaarde eenmaal vast staat, het op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro uiteraard weer aan de schuldeiser is, als onderdeel van de feitelijke grondslag van zijn vordering, om het vervuld zijn van die voorwaarde te stellen en bij voldoende betwisting door de schuldenaar te bewijzen.” [57]
de Groene Serie Vermogensrechtuit de twee hiervoor in 3.15 en 3.20 genoemde arresten het volgende af:
bestaanvan een opschortende voorwaarde rust dus op de schuldenaar. De bewijslast van het
vervuld zijnvan de voorwaarde rust daarentegen op de schuldeiser.” [58]
Stelplicht & Bewijslastals volgt samen:
De vervulling van de voorwaarde
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:35 BW Pro.
Tekst en Commentaaren
Stelplicht en Bewijslasthet volgende:
NJ2002/494 (
Probis/ […]), wat betreft de vervulling herhaald in HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228,
NJ2016/440). De schuldenaar die met een beroep op de vervulling van een ontbindende voorwaarde zich tegen een vordering tot nakoming verweert, draagt de stelplicht en bewijslast van het bestaan, de inhoud en de vervulling van de voorwaarde; er is dus sprake van een bevrijdend verweer (HR 21 oktober 1988,
NJ1989/80 (
Schilperoort en Kooy/De Nijs); HR 9 september 2005,
LJNAT5156,
NJ2005/468 (
[…] / […]) en HR 22 april 2011,
LJNBP6597,
NJ2011/188 (
Batavus/Race Productions)). Indien het bestaan van een opschortende voorwaarde in geschil is (en dus niet slechts de vervulling van de voorwaarde), rust de bewijslast op de partij die zich op het bestaan van de voorwaarde beroept; er is weer sprake van een bevrijdend verweer (HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228,
NJ2016/440 met een beroep op HR 24 november 1927,
NJ1928, p. 390). De bewijslastverdeling in geval de inhoud van een opschortende voorwaarde in geschil is, is niet geheel zeker. Het bewijs van het bestaan van de voorwaarde lijkt bezwaarlijk te scheiden van het bewijs van de inhoud; anderzijds ligt in HR 7 december 2001,
NJ2002/494 (
Probis/ […]) het bewijs van de inhoud van de voorwaarde in het verlengde van het bewijs van de vervulling. Uitvoerig over vragen van stelplicht en bewijslast met betrekking tot opschortende en ontbindende voorwaarden: Boonekamp,
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:22 BW Pro.” [71]
vervuld zijnvan een opschortende voorwaarde berust bij de eiser, de bewijslast voor het
bestaanvan een opschortende voorwaarde bij de gedaagde. Of dat laatste nu in de door Lock besproken “lijn H. Drion” ligt, waar mijns inziens veel voor te zeggen valt, of “gewoon” volgt uit het stelsel van art. 150 Rv Pro en de bij een en/of ander aansluitende rechtspraak uit 1927 en 2016 en even daargelaten de besproken kritiek die op de zuiverheid van dit stelsel is geuit, ik zie op dit moment geen aanleiding om te pleiten voor een ander stelsel dan deze huidige stand van de rechtspraak in Nederland. Het lijkt mij te passen in het systeem van de wet en komt praktisch goed hanteerbaar voor.
Bespreking van de klachten
door Alfauit te voeren fraudeonderzoek naar [betrokkene 1] en de eventuele verhaalbaarheid van Alfa’s vordering op [betrokkene 1] ). Die verdergaande voorwaarde blokkeert volgens [eiser] de vordering van Alfa tot betaling van de borgsom. Daarmee is sprake van een bevrijdend verweer, waarvoor [eiser] de stelplicht en bewijslast heeft, aldus het hof in de aangevallen passage onder verwijzing naar het hiervoor in 3.20 genoemde arrest uit 2016. Het onderdeel draagt als rechtsklacht aan dat dit art. 150 Rv Pro en de rechtsregel uit
Probis/ […] [76] zou miskennen, althans dat niet naar behoren is gemotiveerd op grond waarvan er sprake is van een bevrijdend verweer en op [eiser] de bewijslast rust. Deze algemene klacht wordt uitgewerkt in vijf subonderdelen.
Probis/ […]heeft miskend, namelijk dat wanneer ervan moet worden uitgegaan dat de overeenkomst een opschortende voorwaarde bevat, de partij die nakoming van de overeenkomst verlangt dient te bewijzen dat de voorwaarde niet langer aan nakoming in de weg staat, bijvoorbeeld doordat deze in vervulling is gegaan. De eiser zal daartoe moeten stellen en bij betwisting bewijzen welke inhoud die voorwaarde heeft. Volgens de klacht staat in onze zaak vast dat partijen een opschortende voorwaarde zijn overeengekomen, maar verschillen partijen van mening over de inhoud van deze opschortende voorwaarde [77] . Het verweer van [eiser] had niet de strekking zich te bevrijden van de door Alfa gestelde vordering, maar dat dit vorderingsrecht nog niet bestond nu de opschortende voorwaarde (afronding van het onderzoek van het Bureau Economische Handhaving [78] ) nog niet is vervuld en dus nog niet bekend is of en zo ja, voor welk deel [eiser] kan worden aangesproken en dus in hoeverre de vordering op [eiser] opeisbaar is [79] ).
Volgens de rechtsklacht ziet dat arrest alleen (veronderstellenderwijs onder verwijzing naar rov. 3.3.1) op de terugbetaling van een lening, waarbij de terugbetalingsverplichting een bij wet vaststaand feit is [81] . Indien de lener zich erop wil beroepen dat een latere dan wel voorwaardelijke terugbetalingsplicht is overeengekomen, betreft dat een afwijking van dit
“wettelijke feit”, en is het beroep van de lener daarom (samenvattend) een bevrijdend verweer. In het arrest uit 2016 is dan ook alleen geoordeeld dat de stelling van de lener dat aan de verplichting tot
terugbetalingeen voorwaarde was verbonden, hetgeen in beginsel aan de vordering tot nakoming in de weg staat, een bevrijdend verweer is waarvan de stelplicht en bewijslast rust op de lener (onder verwijzing naar rov. 3.7.1-3.7.2 van het arrest uit 2016). Ook het besproken arrest uit 1927 [82] , waar het arrest uit 2016 naar verwijst, ziet volgens de klacht alleen op terugbetaling van een lening, waarbij de lener de stelplicht en bewijslast had van zijn verweer dat tussen partijen iets was overeengekomen omtrent “
een later tijdstip, waarop of omstandigheden en voorwaarden waaronder”zou moeten worden terugbetaald. In geval van een geldlening dient de lener dus te stellen en te bewijzen dat een latere of voorwaardelijke terugbetaling is overeengekomen in afwijking van de wettelijke terugbetalingsplicht, aldus de klacht. Bovendien ziet het arrest uit 2016
“ter zake louter op onderdeel 1.4 van de cassatieklachten in die zaak, welk onderdeel specifiek zag, althans aldus was onderbouwd, op jurisprudentie ter zake van geldleningen, zoals mede blijkt uit de in dat onderdeel 1.4 vermelde zin: “Dit strookt met voormelde rechtspraak van de Hoge Raad bij art. 7A:1796 e.v. BW (zie o.m. HR 10 juni 1927, NJ1927/10488).”Het arrest uit 2016 behelst volgens het subonderdeel een andere verdeling van stelplicht en bewijslast “
inzake het bestaan van een opschortende voorwaarde”dan in
Probis/ […], zonder dat naar deze uitspraak wordt verwezen en zonder vermelding dat wordt
“omgegaan”en dat bevestigt het vermoeden dat het arrest uit 2016 ziet op
“een specifieke situatie”. In zijn JBPR-noot onder het arrest uit 2016 wijst Lock er dan ook op dat een beroep op een opschortende voorwaarde een betwisting van de opeisbaarheid van de verbintenis inhoudt en derhalve geen bevrijdend verweer is, tenzij dit een beroep op afwijking van een wettelijk vastgelegd normaal-typisch geval is (zoals bij terugbetaling van een geldlening, of bij betaling van loon door een opdrachtgever aan een opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf) [83] . Het hof heeft zijn oordeel dat het beroep van [eiser] op afronding van het fraudeonderzoek door het Bureau Economische Handhaving een bevrijdend verweer is daarom ten onrechte gebaseerd op het arrest uit 2016, omdat in onze zaak geen sprake is van terugbetaling van een geldlening, maar van (het inroepen van) een borgtocht.
Probis/ […]op Alfa als eiser in geval van betwisting van de inhoud van “
een onbetwist bestaande opschortende voorwaarde” de stelplicht en bewijslast rust. Alfa beroept zich immers op het rechtsgevolg van haar stellingen en [eiser] betwist deze, zodat op [eiser] niet de bewijslast rust. Dat zou pas het geval zijn als [eiser] zijnerzijds een rechtsgevolg inroept om het door Alfa ingeroepen rechtsgevolg te blokkeren, ofwel beroep doet op een ander feit waarmee hij rechtsgevolgen van de (op zich vaststaande) door Alfa gestelde feiten tracht te blokkeren [84] . Dat de gedaagde partij ter motivering van haar betwisting feiten (het bestaan van een opschortende voorwaarde) aanvoert waarop de eisende partij zich helemaal niet beroept, maakt nog niet dat zij daarvan dan de bewijslast heeft [85] . Nu er in onze zaak geen sprake is van een terugbetalingsplicht van een geldlening, maar van het inroepen van een borgtocht, is het arrest uit 2016 niet van toepassing en blijft (de rechtsregel uit)
Probis/ […]van toepassing, zodat er sprake is van een
“betwistend verweer”door [eiser] . In andere zaken is in feitelijke instanties dan ook geoordeeld dat eiser dient te bewijzen dat er sprake is van een onvoorwaardelijk recht indien de wederpartij zich beroept op een opschortende voorwaarde [86] .
Subonderdeel 1.3voert aan dat in een tweetal uitspraken uit de feitenrechtspraak de bewijslast voor het bestaan van de opschortende voorwaarde toch werd opgedragen aan de aangesproken partij. Daar was evenwel aan de orde dat werd geoordeeld dat nergens uit kon worden afgeleid dat er sprake is van een opschortende voorwaarde en derhalve voorshands het bestaan van een opschortende voorwaarde niet kon worden aangenomen [87] . Voor zover het hof in rov. 4.6 heeft bedoeld dat voorshands het bestaan van de door [eiser] gestelde opschortende voorwaarde niet kan worden aangenomen, is dit oordeel onjuist althans onvoldoende gemotiveerd. Uit
Probis/ […]volgt namelijk dat de bewijslast op Alfa rust en zij niet louter tegenbewijs hoeft te leveren tegen een eventueel voorshands oordeel. Althans blijkt uit het bestreden arrest volgens de klacht niet dat er sprake is van enig voorshands oordeel. Een dergelijk voorshands oordeel zou volgens de klacht ook onbegrijpelijk zijn in het licht van het verschil tussen genoemde twee feitelijke uitspraken en onze zaak, aangezien tussen Alfa en [eiser] vast staat dat er wel een opschortende voorwaarde is overeengekomen, maar partijen twisten over de inhoud van de overeengekomen opschortende voorwaarde,
“alsmede in het licht van de in onderdeel 2 te behandelen feiten”.
nietbetwist dat – uitgaande van deze situatie – hij op grond van de overeenkomst van borgtocht
secgehouden is tot betaling van de gevorderde borgsom van € 50.000,-.
nadere afsprakentussen partijen in 2015 die, voor zover in cassatie van belang [90] , erop neerkomen dat invordering van de borgtocht vooralsnog achterwege zou blijven, vgl. hiervoor in 2.6, 2.8 en 2.11.
nadere afsprakentussen partijen heeft gesteld, en dat [eiser] niet heeft betwist, dat op 28 januari 2015 is afgesproken dat [eiser] formeel zou worden aangesproken als borg maar dat invordering voorlopig achterwege zou blijven in afwachting van:
door Alfauit te voeren fraudeonderzoek naar [betrokkene 1] en de eventuele verhaalbaarheid van haar vordering op [betrokkene 1] ;
Het hof heeft in rov. 4.7 in samenhang met rov. 4.4 – conform deze stellingname van Alfa – geoordeeld dat Alfa de vordering op [eiser] op 14 april 2017 kon opeisen. En daarmee impliciet geoordeeld dat de voorwaarden onder i. en ii. niet langer aan nakoming/opeisbaarheid in de weg staan, doordat zij in vervulling zijn gegaan [91] .
nadere afspraak, inhoudende dat partijen een opschortende voorwaarde zijn overeengekomen die verder strekt dan de niet betwiste voorwaarden als weergegeven in rov. 4.4 onder i. Het hof stelt vast dat die verdergaande voorwaarde volgens [eiser] de vordering van Alfa tot nakoming van de betaling van de borgsom blokkeert (rov. 4.6). Deze uitleg door het hof van het verweer van [eiser] wordt als zodanig in cassatie niet bestreden (door onderdeel 1).
bestaanvan (de inhoud van) deze aldus door gedaagde opgeworpen beweerdelijke voorwaarde en niet naar het
vervuld zijnvan een vaststaande voorwaarde en we hebben gezien dat een in eerste zin te kwalificeren vraag een bevrijdend verweer oplevert volgens de huidige stand van de rechtspraak in Nederland (vgl. hiervoor in 3.12 t/m 3.25 met een bondige samenvatting voor zover van belang in onze zaak in 3.26). Het beroep dat het hof in onze zaak daarbij doet op het arrest uit 2016 (als hiervoor besproken in het verlengde liggend van het arrest uit 1927) lijkt mij dan ook terecht en daarmee is niet art. 150 Rv Pro of de rechtsregel uit
Probis/ […]geschonden en is van onbegrijpelijkheid evenmin sprake. In
Probis/ […]stond immers anders dan in onze zaak wel vast dat er sprake was van een bepaalde opschortende voorwaarde (“zodra zulks mogelijk is”), terwijl het bestaan van de door [eiser] gestelde (nadere) voorwaarde in onze zaak nu juist niet vast staat. Dat de rechtsregel uit het arrest van 2016 (en het arrest van 1927) alleen zou zien op gevallen van terugbetaling van een geldlening en/of andere gevallen waarin de opeisbaarheid van de verbintenis wettelijk als normaal-typisch geval is vastgelegd, zoals subonderdeel 1.2 aanvoert, lijkt mij in de eerste plaats kwestieus, maar bovendien niet afdoen aan de hiervoor als juist beredeneerde kwalificatie in onze zaak als bevrijdend verweer.
het door Alfauit te voeren fraudeonderzoek naar [betrokkene 1] en de eventuele verhaalbaarheid van haar vordering op [betrokkene 1] ;
Probis/ […]volgt voor onze zaak (hooguit) dat schuldeiser Alfa moet stellen en bij betwisting moet bewijzen dat
dezevoorwaarden niet (langer) aan nakoming in de weg staan, bijvoorbeeld doordat zij in vervulling zijn gegaan, waarbij Alfa zal moeten stellen en bij betwisting bewijzen welke inhoud
dievoorwaarden hebben. Dat heeft het hof in onze zaak ook niet miskend. Het hof heeft in rov. 4.7 in samenhang met rov. 4.4 (impliciet) geoordeeld dat Alfa de vordering op [eiser] op 14 april 2017 kon opeisen, nu
dezevoorwaarden – conform de onbetwiste stellingname van Alfa – niet langer aan nakoming/opeisbaarheid in de weg staan, doordat zij in vervulling zijn gegaan [94] , zoals we hebben gezien.
deze(door Alfa gestelde en door [eiser] niet betwiste) voorwaarden (rov. 4.4). [eiser] beroept zich op een
andere(door hem gestelde, en door Alfa betwiste) opschortende voorwaarde, te weten afronding van het
door het Bureau Economische Handhavinguit te voeren fraudeonderzoek (rov. 4.5 en 4.6).
Probis/ […]niet mee dat Alfa moet stellen en bij betwisting moeten bewijzen dat partijen
nietals opschortende voorwaarde zijn overeengekomen dat het door de Belastingdienst uit te voeren fraudeonderzoek moet worden afgewacht.
“Daarnaast”)gesteld dat is afgesproken dat “
dit onderzoek”zou worden afgewacht en dat de uitkomst daarvan relevant is voor de vraag of [eiser] vervolgens alsnog kon worden afgesproken [95] . Deze stelling is derhalve niet (louter) gebaseerd op de stelling dat is afgesproken dat aangifte zou worden gedaan, zodat het hof niet in zijn gedachtegang kan worden gevolgd.
afgesprokendat het onderzoek door het Bureau Economische Handhaving zou worden afgewacht (“
Afronding van dat onderzoek is volgens [eiser] onderdeel van de op 28 januari 2015 gemaakte afspraak en dat onderzoek is volgens hem formeel nog niet afgerond.”), maar heeft deze stelling verworpen in rov. 4.6.
“van de gestelde afspraak die in maart 2015 zou zijn gemaakt”. Het subonderdeel klaagt in de eerste plaats, onder verwijzing naar de subonderdelen 1.1-1.3, dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans onvoldoende gemotiveerd is. Volgens de klacht is er sprake van
“een betwistend verweer”, en daarom rust op [eiser] op grond van art. 150 Rv Pro niet de verplichting van een gespecificeerd bewijsaanbod.
“om [betrokkene 4] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 5] en [eiser] zelf te doen horen over de inhoud van de gemaakte afspraken” [96] , zodat het hof op grond van de devolutieve werking deze getuigen had moeten horen alvorens te oordelen.
Hier volgt nogmaals het hiervoor al geciteerde bewijsaanbod van [eiser] bij antwoord in prima onder 12:
voorlopigachterwege zou blijven in afwachting van het onderzoek door de Belastingdienst. Deze aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van het bewijsaanbod van [eiser] is volgens mij niet onbegrijpelijk, mede gelet op het feit dat [eiser] in eerste aanleg (cva 5 [98] ) als meest verstrekkende verweer had aangevoerd dat partijen hadden afgesproken dat Alfa
definitiefzou afzien van de borg en finale kwijting zou verlenen in ruil voor volledige medewerking door [eiser] [99] . Dat het hof het bewijsaanbod kennelijk zo leest dat het alleen betrekking heeft op dit meest verstrekkende verweer is niet onbegrijpelijk. De bewoordingen van het bewijsaanbod laten een dergelijke uitleg toe.
subonderdeel 2.6, te weten dat niet zou kunnen worden toegerekend aan [A] bij “schuld” van [betrokkene 1] , lijkt mij dan ook onjuist. Bij geen van de klachten van onderdeel 2 bestaat zodoende belang is cassatie [101] . Ik zou het daarbij kunnen laten, maar bespreek kort enkele klachten uit onderdeel 2 nog nader.
de in onderdeel 1 behandelde oordelen inzake bevrijdend verweer en daaraan gerelateerde onderwerpen alsmede het oordeel in rov. 4.4 dat Alfa verhaalsonderzoek naar [betrokkene 1] heeft laten doen door een deurwaarderskantoor, hetgeen in 2016 op niets is uitgelopen”.Bij zijn oordeel in rov. 4.7 heeft het hof volgens de klacht de
“essentiële”stelling van [eiser] gepasseerd
“dat het onderzoek naar de schuld van [betrokkene 1] (en niet enkel de verhaalbaarheid op [betrokkene 1] ) relevant is voor het antwoord op de vraag wanneer en in hoeverre Alfa alsnog wel [eiser] zou kunnen aanspreken”.Deze stelling is volgens de klacht in de eerste plaats essentieel, omdat gegrondbevinding van deze stelling tot een ander oordeel kan leiden: niet is gebleken dat [betrokkene 1] geen schuld heeft, zodat aldus niet de overeengekomen opschortende voorwaarde is vervuld waaronder [eiser] alsnog wel zou kunnen worden aangesproken. Bovendien is deze stelling essentieel, omdat de schuldvraag relevant is vanwege het subsidiaire karakter van de borgtocht: een toerekenbaar tekortschieten van hoofdschuldenaar [A] is vereist, waarvan geen sprake is wanneer [betrokkene 1] schuld heeft (verwezen wordt naar subonderdeel 2.6).
“Het aandeel van [betrokkene 1] bij de gepleegde fraude en de hoogte van het fraudebedrag zijn vooralsnog onbekend en dienen volgens gedaagde met betrekking tot de schuldvraag te worden afgewacht.”In mva p. 2, laatste alinea gaat het om een bijzin, die onderdeel is van [eiser] ’ stellingname dat het door de Belastingdienst verrichte fraudeonderzoek is geëntameerd
“(…) naar aanleiding van de door Alfa en [eiser] gedane aangifte en de door de curator in het faillissement van [A] gedane melding van faillissementsfraude. Volgens [eiser] betreft het één en hetzelfde onderzoek welke door de rechtbank op juiste gronden als onderdeel van de gemaakte afspraken is bestempeld,dit ter beantwoording van de vraag in hoeverre de vordering van Alfa op [eiser] uit hoofde van de borgstelling opeisbaar is.”[onderstreping A-G]. Een zo terloops aangekaarte en niet nader uitgewerkte kwestie hoefde door het hof niet als essentieel te worden aangemerkt, zodat deze klacht in mijn ogen ook feitelijke grondslag ontbeert. De aankleding die het cassatiemiddel hieraan geeft in de vorm van “doorwerking” van de schuldvraag, is in mijn ogen geen onderdeel geweest van het partijdebat in feitelijke aanleg. Ook daar stuit volgens mij heel onderdeel 2 al op af.
“essentiële”stelling gepasseerd, omdat [eiser] onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing hiervan (rov. 4.6, tweede alinea, eerste volzin e.v.). Naar het oordeel van het hof is het fraudeonderzoek door de Belastingdienst naar [betrokkene 1] niet relevant voor de vraag of en in hoeverre Alfa [eiser] zou kunnen aanspreken. Het hof benadrukt dit ook in de laatste volzin van rov. 4.6. Uit mijn bespreking van onderdeel 1 volgt dat het passeren van het bevrijdend verweer van [eiser] , waaronder deze aldus begrepen
“essentiële”stelling vanwege onvoldoende substantiëring (niet aan stelplicht voldaan), in cassatie tevergeefs wordt aangevallen. Ook in die sleutel treffen geen van de klachten van onderdeel 2 doel. Het hof heeft de zo begrepen
“essentiële”stelling van [eiser] uitdrukkelijk onder ogen gezien en op goede grond verworpen.
subonderdeel 2.2), heeft te gelden dat deze a contrario-redenering afstuit op het impliciete oordeel dat ook Alfa’s fraudeonderzoek wel degelijk is afgewacht, nu het hof in rov. 4.7 oordeelt dat het antwoord op de opeisbaarheidsvraag bevestigend luidt. Als dit oordeel gelezen wordt in verband met rov. 4.6 waarin het hof terugverwijst naar rov. 4.4 onder i waarin sprake is van zowel de uitkomst van Alfa’s fraudeonderzoek als de eventuele verhaalbaarheid van haar vordering op [betrokkene 1] , dan wordt duidelijk dat de mogelijk zo als “essentieel” bedoelde stelling van [eiser] over het afwachten van Alfa’s fraudeonderzoek ook door het hof is meegewogen en impliciet is verworpen in rov. 4.7. Anders gezegd: uit mvg 11 [102] en rov. 4.4 volgt dat het (in rov. 4.4 onder i. bedoelde) fraudeonderzoek
door Alfaheeft geleid tot haar aangifte tegen [betrokkene 1] op 7 april 2015 [103] . Alfa heeft de uitkomt van haar eigen fraudeonderzoek naar [betrokkene 1] dus wel degelijk aangedragen als de tussen partijen overeengekomen opschortende voorwaarde die is vervuld waardoor de vordering op [betrokkene 1] opeisbaar is [104] . Uit rov. 4.5-4.7 volgt dat het hof daarin is meegegaan. In zoverre mist de andersluidende klacht op dit punt uit
subonderdeel 2.2feitelijke grondslag.
subonderdeel 2.2verder voortbouwt op de premisse dat op zich vast zou staan dat in onze zaak sprake is van een overeengekomen opschortende voorwaarde (bestaan staat vast, waardoor de bewijslast van de inhoud op Alfa zou rusten), maar bij de bespreking van onderdeel 1 hebben we gezien dat daarvan in onze zaak op het punt van de door [eiser] gestelde nadere opschortende voorwaarde geen sprake is. Het subonderdeel wandelt door op dit foutieve spoor met een herhaling van zetten over het besproken arrest uit 2016 en het
Probis/ […] -arrest en de daaruit voortvloeiende bewijslastverdeling en constateert dan dat in rov. 4.3 is geoordeeld dat een basis ontbreekt voor de uitleg van de afspraak dat invordering achterwege zou blijven na het fraudeonderzoek, ongeacht de uitkomst daarvan. Volgens de klacht houdt dit in dat niet louter het onderzoek moet zijn afgerond, maar dat
Alfaook moet stellen en bij betwisting moet bewijzen wat de uitkomst is van dat onderzoek is. We hebben bij de bespreking van onderdeel 1 gezien dat wel sprake is van een bevrijdend verweer en dat daar een andere bewijslastverdeling bij hoort, zodat deze klacht niet kan slagen.
voorlopigachterwege zou blijven in afwachting van de uitkomsten van het fraudeonderzoek naar [betrokkene 1] . Het hof stelt ook vast dat [eiser] in hoger beroep een afwijkend standpunt heeft ingenomen, maar het hof houdt hem aan zijn uiting ter comparitie in eerste aanleg dat invordering
voorlopigachterwege zou blijven. In dat verband memoreert het hof nog dat uit de weergave van de verklaring van [eiser] in het proces-verbaal
nietvolgt dat Alfa heeft toegezegd dat invordering achterwege zou blijven na het onderzoek,
ongeacht de uitkomst daarvan. Voor die uitleg van de afspraak ontbreekt een basis aldus het hof.
verwerpingvan [eiser] ’ stelling houdt – anders dan het middel zonder nadere toelichting opwerpt – uiteraard niet in dat
Alfazodoende zou moeten stellen en bij betwisting bewijzen “
wat de uitkomst is van dat onderzoek”, laat staan dat die uitkomst – volgens de klacht: de vraag of [betrokkene 1] “schuld” heeft aan de fraude – relevant is voor de vraag of en in hoeverre [eiser] dan alsnog kan worden aangesproken. Een basis voor die uitleg van rov. 4.3 ontbreekt.
subonderdeel 2.3.Voor zover in subonderdeel 2.2 nog wordt gepoogd ingang te doen vinden dat als opschortende voorwaarde zou gelden of is beantwoord wat het aandeel van [betrokkene 1] is in de fraude, mist dat feitelijke grondslag, nu een dergelijke voorwaarde geen voorwerp was van het geschil.
subonderdeel 2.4wordt geklaagd dat het hof de besproken arresten uit 2001 en 2016 zou hebben miskend en dat vormt in zoverre een herhaling van zetten van onderdelen 1 en 2.2 die afketst op de daar besproken gronden. Dat sprake zou zijn van ontoereikende motivering, zoals
subonderdeel 2.5aandraagt, zie ik evenmin. Het hofoordeel over de opeisbaarheidsvraag is goed te volgen.
wel op het onderzoek van Bureau Economische Handhaving diende te worden gewacht en Alfa vervolgens grond zou hebben om [eiser] aan te spreken”. Volgens de klacht is het oordeel van het hof in rov. 4.14, dat de wettelijke rente met ingang van 6 mei 2017 toewijsbaar is, dan onjuist of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Dit onderzoek is op 9 januari 2018 afgerond [105] , zodat Alfa haar veertiendagenbrief niet eerder dan op 9 januari 2018 had kunnen verzenden en daarmee de wettelijke rente pas op 23 januari 2018 zou kunnen ingaan. Voor de rente over eventuele buitengerechtelijke kosten geldt dezelfde datum, aldus de klacht.
nietafgewacht hoefde te worden.
dan de mededeling dat alsnog wel invordering zou plaatsvinden” [106] en een dergelijke eenvoudige brief geacht wordt een verrichting te zijn waarvoor de proceskosten op grond van art. 6:96 BW Pro een vergoeding plegen in te sluiten [107] .
Volgens art. 6:96 lid 5 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (Stb. 2012/141) worden de buitengerechtelijke incassokosten vanaf 1 juli 2012 berekend volgens een staffel [108] en zijn deze aan een maximum gebonden [109] . Wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser in redelijkheid tot het verrichten van incassohandelingen is overgegaan, zijn de volgens dit besluit genormeerde incassokosten door de schuldenaar verschuldigd, ongeacht de aard en omvang van de verrichte incassohandelingen. Voor de consument-schuldenaar geldt echter dat de schuldeiser eerst nog een veertiendagenbrief moet sturen (art. 6:96 lid 6 BW Pro). Deze brief is naar zijn aard ook zelf een incassohandeling. Dat betekent dat de consument-schuldenaar deze incassokosten pas verschuldigd wordt, indien hij zijn schuld niet binnen veertien dagen voldoet nadat hij de veertiendagenbrief heeft ontvangen. Nadere incassohandelingen zijn niet vereist [110] .
hetfraudeonderzoek naar [betrokkene 1] , [117] alsmede dat Alfa
ook zelfeen fraudeonderzoek had opgestart [118] en tevens dat
hetfraudeonderzoek naar [betrokkene 1] nog loopt. [119] Alfa heeft ter comparitie derhalve verklaard dat het onderzoek zou worden afgewacht en dat dat onderzoek nog loopt alsmede dat Alfa daarnaast ook nog zelf een onderzoek had opgestart. [eiser] heeft dit ook zo opgevat, nu hij ter comparitie bevestigde dat
hetonderzoek nog zou worden afgewacht [120] en hij zich reeds had verweerd meteen beroep op het nog lopende onderzoek van Bureau Economische Handhaving. [121] Uit het procesdossier blijkt niet dat Alfa de rechtbank heeft meegedeeld dat het proces-verbaal een onjuiste weergave zou betreffen van hetgeen is verklaard. De vordering van Alfa in eerste aanleg was daarmee (ook volgens Alfa) pas opeisbaar op het moment van afronding van het onderzoek van Bureau Economische Handhaving. Nu tussen partijen vast staat dat dit onderzoek ten tijde van de procedure in eerste aanleg nog niet was afgerond, was de vordering van Alfa destijds nog niet opeisbaar en heeft de rechtbank deze vordering terecht afgewezen. Aldus dient Alfa voor de proceskosten in eerste aanleg als de in het ongelijk gestelde partij te worden aangewezen en dient Alfa in plaats van [eiser] in de proceskosten in eerste aanleg te worden veroordeeld. [122] ”
nietafgewacht hoefde te worden en de vordering van Alfa op [eiser] in ieder geval op 14 april 2017 – en dus ook al in eerste aanleg – opeisbaar was [123] . Zodoende is Alfa’s vordering in prima ten onrechte afgewezen wegens niet-opeisbaarheid en is Alfa dus ten onrechte veroordeeld in de proceskosten van die instantie.