In deze civiele zaak stond centraal of de huurder, die onder beschermingsbewind stond, aansprakelijk was voor herstelkosten van een huurwoning en voor buitengerechtelijke incassokosten. De huurder had de woning in slechtere staat achtergelaten dan bij aanvang, mede veroorzaakt door eigen tekortkomingen zoals nicotineaanslag en slecht schilderwerk. De verhuurder stelde dat herstelkosten voor rekening van de huurder kwamen.
De kantonrechter wees de herstelkosten toe, maar wees de incassokosten af omdat de aanmaningsbrief niet voldeed aan de wettelijke vereisten van een veertigdagenbrief. In hoger beroep werd deze uitspraak bekrachtigd. Het hof oordeelde dat de bewindvoerster de huurder rechtsgeldig vertegenwoordigde en dat de huurder aansprakelijk was voor de schade aan de woning. De klachten over onderhoud waren beperkt en voldoende verholpen.
De incassokosten werden afgewezen omdat de aanmaningsbrief onduidelijk was over het moment van aanvang van de betalingstermijn, waardoor de wettelijke termijn niet gegarandeerd werd. De kostenveroordelingen werden verdeeld: de huurder werd veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep en de verhuurder in die van het incidenteel hoger beroep.