De zaak betreft een verzoek van de erven van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in een belastinggeschil. De procedure startte in 2003 met een aansprakelijkstelling door de Belastingdienst en kende meerdere bezwaar- en beroepsfasen, inclusief cassatie en verwijzing.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn voor de hoofdprocedure zeven jaar bedroeg, terwijl de feitelijke duur ruim negen jaar was, wat resulteert in een overschrijding van ongeveer drie jaar. Daarnaast is er een overschrijding van ongeveer zes jaar in de fase na heropening van het onderzoek voor de vergoeding van immateriële schade.
Het hof weigert verlenging van de redelijke termijn bij terugwijzing naar eerdere instanties, verwijzend naar jurisprudentie die stelt dat dergelijke verlenging niet gerechtvaardigd is. De totale vergoeding wordt vastgesteld op €9.000, te betalen door de Minister voor Rechtsbescherming. Proceskosten worden niet toegewezen.
De uitspraak benadrukt het belang van tijdige behandeling van belastinggeschillen en bevestigt dat voor elke fase van de procedure een redelijke termijn geldt, met een vaste vergoeding per half jaar overschrijding.